We spreken 'verkavelingvlaams' omdat we rijker werden

Martine Tanghe spreekt nog altijd standaardtaal.
BELGA Martine Tanghe spreekt nog altijd standaardtaal.
De Vlaamse tussentaal, ook wel 'het verkavelingsvlaams' genoemd, is een gevolg van het feit dat Vlaanderen rijker is geworden. Na de Tweede Wereldoorlog was er economische groei en een toegenomen levensstandaard in Vlaanderen waardoor 'de nieuwe rijken' minder behoefte hadden om de prestigevarianten van de standaardtaal te gebruiken. Dat staat te lezen in het taaltijdschrijft Over Taal.

Het is doctor Koen Plevoets van Hogeschool Gent die de analyse maakt in het artikel 'Tussentaal en de vrije markt'.

De Vlaamse tussentaal is de algemeen gesproken vorm van het Nederlands in Vlaanderen, die gekenmerkt wordt door een overvloedig gebruik van dialectkenmerken. Typische elementen daarvan zijn onder meer de verkleinwoorden op "-ke" (manneke) en de aanspreekvormen "ge" en "gij".

Die taal is volgens Plevoets het resultaat van de naoorlogse welvaart. "Die materiële welstand heeft de mogelijkheid gecreëerd om de omgangsregels te informaliseren."

"De elite vindt het niet nodig"
Ter illustratie wordt het taalgebruik per beroepsgroep geanalyseerd. Hoe hoger de socio-economische klasse, hoe vaker standaardtaal wordt gesproken, al is ook daar de zogenaamd 'hoogste vorm' van standaardtaal niet standaard.

"Blijkbaar vinden de leden van de elite het niet nodig om verder naar de standaardtaal op te schuiven."



Logisch, volgens Plevoets. "Naarmate een betere positie bereikt wordt, vermindert de noodzaak proportioneel om zich nog verder in te spannen."

De welvaartsgroei in Vlaanderen heeft met andere woorden tot de vorming van een klasse geleid die zich in haar taalgebruik een comfortabelere houding aanmeet "omdat ze een levensstandaard geniet die dat nu eenmaal mogelijk maakt".

"Dat gedrag is dan ook altijd een teken van sociale verzekerdheid: het is het kenmerk van wie voor zijn socio-economische status weinig meer te vrezen heeft".