KCE wil projectiemodel artsenbestand afstemmen op de toekomst

thinkstock
Het wiskundig projectiemodel voor het artsenbestand moet beter worden afgestemd op de maatschappelijke evoluties en het beleid. Dat stelt het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). De technische performantie van het model wordt wel onderschreven. Op dat vlak is het "zelfs één van de beste in Europa", aldus het KCE.

Hoeveel artsen hebben we de komende kwarteeuw nodig om aan allerlei uitdagingen die op ons afkomen, het hoofd te bieden? Daarop moet het projectiemodel voor het artsenbestand een antwoord bieden. Het KCE nam het model in 2008 al een eerste keer onder de loep. Dat is nu opnieuw gebeurd. Het KCE zamelde bij de verschillende stakeholders adviezen en kritiek in over het huidige model.

Wezenlijke verbeteringen
Het Kenniscentrum merkt op dat tussen de twee studies al wezenlijke verbeteringen werden aangebracht. De belangrijkste vooruitgang kwam er door de gegevenskoppeling 'PlanCAD'. Daarbij werden data van het kadaster van de FOD Volksgezondheid gekoppeld met die van het RIZIV en met het Datawarehouse arbeidsmarkt en sociale bescherming. Zo weten we vandaag hoeveel artsen in België actief zijn, en is er een meer nauwkeurig inzicht in de evolutie en de verdeling van hun activiteiten, en hun verspreiding over het grondgebied.

Jaarlijkse koppeling
Wegens het belang om over zo recent mogelijke gegevens te beschikken, vraagt het KCE de koppeling het liefst elk jaar te laten gebeuren. Nu is er telkens toelating nodig voor een koppeling en gegevensanalyse, iets wat veel tijd vraagt en het proces vertraagt. Ook de geografische verdeling kan nog worden verfijnd, meent het Kenniscentrum. Zo kan de artsendichtheid in een bepaalde regio nog nauwkeuriger worden ingeschat. Daarnaast moet een onderscheid worden gemaakt tussen de woonplaats van de arts en de locatie van zijn praktijk.

Het KCE adviseert om meer nuances in te bouwen bij de inschatting van de activiteit van de artsen. Nu wordt geen rekening gehouden met de concrete werkorganisatie zoals bijvoorbeeld een groepspraktijk. Andere pijnpunten zijn dat het model niet kan nagaan of sommige artsen niet overbevraagd zijn, of te veel niet-verantwoorde medische interventies uitvoeren.

Toekomstige zorgvraag
Het Kenniscentrum vindt het essentieel om een beter inzicht te krijgen in de toekomstige zorgvraag. Momenteel probeert het model zich te baseren op de zorgconsumptie in het verleden, maar die aanpak heeft zijn beperkingen, luidt het. Zo wordt geen rekening gehouden met zorg die niet gebruikt werd, bijvoorbeeld omdat de patiënt die uitstelde om financiële redenen of door een gebrek aan toegankelijkheid, of omdat hij toen niet tijdig een arts kon raadplegen.

Het projectiemodel kan ook meer dynamiek gebruiken, aldus het KCE. Nu worden ermee scenario's uitgetest met verschillende hypotheses over de toekomstige maatschappelijke ontwikkelingen. Die scenario's zijn gebaseerd op historische waarnemingen. "Het zou veel interessanter zijn om rekening te houden met snel veranderende trends, zoals de toenemende mobiliteit van studenten en artsen binnen Europa, de verschuivende activiteit tussen beroepsgroepen (zoals de verschuiving van gynaecologen naar vroedvrouwen bij zwangerschapszorg), of met de veranderende behoeften door een vergrijzende bevolking", klinkt het.

Doelstellingen
Het Kenniscentrum stelt zich tenslotte vragen bij de doelstellingen van het technisch performante model. "Het uiteindelijk doel van de wiskundige voorspellingen mag niet het uitvoeren van exacte kwantitatieve ramingen zijn, maar het vaststellen en voorspellen van de huidige en toekomstige trends, zodat beleidsmakers er zich op kunnen voorbereiden", aldus het KCE. "Wetenschappelijke methoden om het aantal artsen te berekenen om aan de zorgbehoefte van een bevolking te voldoen, hebben alleen zin als er duidelijke gezondheidsdoelstellingen zijn met voldoende middelen om die te bereiken, en als wetenschappelijke adviezen effectief door de beleidsmakers worden opgevolgd."