Hoe het ufo-complot van Roswell een eigen leven ging leiden

Een computerbeeld van een ufo.
rv Een computerbeeld van een ufo.
Exact 68 jaar geleden ontstond het bekendste ufo-verhaal ooit. Nadat in het Amerikaanse stadje Roswell brokstukken waren gevonden van een ongeïdentificeerd vliegend tuig schreef de lokale krant dat het om een vliegende schotel ging. Hoewel het verhaal nog diezelfde dag werd rechtgezet, ging het een eigen leven leiden.

Op 7 juli 1947 vond boer W.W. Brazel vreemde brokstukken in zijn weiland. Hij haalde sheriff George Wilcox erbij. Toen die stukken rubber, hout, folie, tape en papier vond, nam hij contact op met de plaatselijke militaire luchthaven. Majoor Jesse Marcel kwam ter plaatse en raakte er al snel van overtuigd dat Brazel op niets minder dan de restanten van een vliegende schotel was gestoten.

Marcel vertelde het verhaal aan zijn overste, die persverantwoordelijke Walter Haut een persbericht liet opstellen. De volgende dag blokletterde de Roswell Daily Record: 'RAAF (Roswell Army Air Field, nvdr.) vangt vliegende schotel op ranch in regio Roswell'. Dezelfde dag dat het verhaal werd gepubliceerd, werd echter vastgesteld dat de brokstukken afkomstig waren van een vernielde weerballon. De krant drukte een rechtzetting af, waarna Brazel stelde dat hij zich een beetje schaamde dat hij zich zo had laten meeslepen.

Dat het verhaal in 1947 meteen werd opgepikt, had ook te maken met de getuigenis van een piloot enkele dagen eerder. Op 24 juni 1947 was amateurpiloot Kenneth Arnold op weg naar een airshow in Oregon toen hij een felblauwe lichtflits in de lucht zag. Vervolgens zag hij nog eens negen flitsen, kort na elkaar. Toen Arnold later aan een reporter probeerde uit te leggen wat hij had gezien, vertelde hij dat de flitsen afkomstig waren van ongeïdentificeerde vliegende objecten die vlogen "als een schotel die je over het water laat springen". De journalist leidde daar verkeerdelijk uit af dat de objecten ook de vorm van een schotel hadden, waarna plots iedereen 'vliegende schotels' zag. Tegen 4 juli stonden kranten in het hele land vol met honderden ufomeldingen, schrijft Time Magazine, dat het hele verhaal van Roswell naar aanleiding van de 50ste verjaardag in 1997 reconstrueerde.

Dezelfde dag dat het ufo-verhaal werd gepubliceerd, werd echter vastgesteld dat de brokstukken afkomstig waren van een vernielde weerballon

De luchtballon met ruimtecapsule waarmee Felix Baumgartner in 2012 de tweede test voor zijn 'ruimtesprong' voor Red Bull Stratos uitvoerde. De ballon steeg op in Roswell.
AFP De luchtballon met ruimtecapsule waarmee Felix Baumgartner in 2012 de tweede test voor zijn 'ruimtesprong' voor Red Bull Stratos uitvoerde. De ballon steeg op in Roswell.

"Doofpotoperatie van kosmische Watergate-proporties"

In 1978 was de zelfverklaarde Canadese 'ufoloog' Stanton Friedman in Baton Rouge, Louisiana voor een interview. Toen hij vernam dat de inmiddels gepensioneerde Jesse Marcel vlakbij woonde, bracht hij hem een bezoek en vroeg hem helemaal uit over de UFO die hij decennia eerder had gevonden in Roswell. Het betekende het begin van een uitgebreid onderzoek door Friedman. Hij ploos alle oude verhalen over Roswell uit en interviewde verscheidene andere getuigen, waarna hij besloot dat er een doofpotoperatie "van kosmische Watergate-proporties" had plaatsgevonden. 

Friedman bundelde zijn onderzoek in 1980 in het boek 'The Roswell Incident', dat hij publiceerde samen met Charles Betlitz, de auteur van 'The Bermuda Triangle' en ufo-onderzoeker William Moore. Het boek betekende het eerste van een lange reeks over Roswell. De publieke verontwaardiging over het zogenoemde doofpotschandaal nam uiteindelijk zulke proporties aan dat de Amerikaanse luchtmacht een eigen onderzoek startte. Daaruit bleek dat er wel degelijk sprake was van een doofpotoperatie, zij het van minder buitenaardse aard. De restanten die in Roswell werden gevonden, kwamen van een ultrageheim project dat het leger in de jaren 40 uitvoerde. Daarbij werden op grote hoogte speciale luchtballons met afluisteraparatuur ingezet om de nucleaire testen van de Sovjet-Unie te monitoren, zo maakte de luchtmacht in 1994 bekend.

Toch houden veel mensen vast aan de oorspronkelijke complottheorie. Onder hen ook Walter Haut, die het persbericht over de ufo de wereld had ingestuurd en die later mee het UFO Museum in de stad zou oprichten. Hij bleef er tot zijn dood in 2007 rotsvast van overtuigd dat het om een vliegende schotel ging. Ook piloot Kenneth Arnold bleef er zeker van dat hij getuige was geweest van iets buitenaards. Hij berekende dat de snelheid van de ufo's zo'n 1.900 kilometer per uur bedragen moest hebben, of dubbel zo snel als de snelheid van geluid, terwijl op dat moment nog geen vliegtuig bestond dat door de geluidsmuur kon breken. "Iedereen zegt dat ik gek ben,  en ik zou waarschijnlijk hetzelfde zeggen als iemand zo'n verhaal vertelde. Maar ik heb ze gezien en ik heb hen bestudeerd", zei hij in 1947 aan een krant.

De Amerikaanse luchtmacht startte een eigen onderzoek. Daaruit bleek dat er wel degelijk sprake was van een doofpotoperatie, zij het van minder buitenaardse aard