Het Higgs-deeltje: wat is dat ook alweer?

Grafische voorstelling van de botsing van protonen in de deeltjesversneller van het CERN.
AP Grafische voorstelling van de botsing van protonen in de deeltjesversneller van het CERN.
Al in 1964 kwamen de Belgen Robert Brout en François Englert en de Brit Peter Higgs met het idee dat er een deeltje moet zijn dat alle andere deeltjes massa geeft. Massa beïnvloedt hoe deeltjes zich gedragen. Higgs-bosonen bepalen dus wat wij om ons heen zien, van de kleinste levende wezens tot de grootste sterrenstelsels. Het deeltje is een van de bouwstenen van het leven.

Nadat het bestaan ervan dus voor het eerst in 1964 werd gepostuleerd, maakte het Centrum voor Kernonderzoek in Genève (CERN) op 4 juli 2012 de vondst bekend van een deeltje dat met absolute zekerheid het Higgs-bosondeeltje is. De ontdekking gebeurde met de enorme deeltjesversneller van het CERN nabij Genève.

Het Higgsboson is van fundamenteel belang: het moet bestaan om het standaardmodel van de deeltjesfysica kloppend te maken. Het is de drager van het Higgsveld, dat in het hele universum aanwezig zou zijn. Door de Higgsbosonen krijgen alle andere deeltjes massa. Het ontbrekende puzzelstuk wordt in de media ook wel het Godsdeeltje genoemd, iets wat natuurkundigen over het algemeen verafschuwen omdat het een misleidende term is. Tot aan de ontdekking door de deeltjesversneller bestond het deeltje slechts in theorie.

Wat de praktische toepasbaarheid van de ontdekking is, is nog niet duidelijk. Dat was overigens ook zo toen vorige eeuw grote ontdekkingen gedaan werden in de kwantummechanica. Die bleken later ontzettend belangrijk: de ontdekkingen van toen vormden de basis voor de computertechnologie van vandaag.