De nooit vertelde 'love story' van een neergeschoten WOII-piloot die Japans kamp met kannibalen overleefde

Het verhaal van de Nieuw-Zeelandse oorlogspiloot Charles 'Chook' Fergusson is nog niet verteld. De bekende, steenrijke Britse zakenman en filantroop, Lord Michael Ashcroft, trok daarom op onderzoek uit en kwam in drie verschillende continenten terecht. Zijn relaas publiceerde Ashcroft in de New Zealand Herald. Wij nemen hier de rol van Nederlandse spreekbuis voor onze rekening.

Charles Douglas Fergusson werd op 14 mei 1921 in Hastings op het Noordereiland van Nieuw-Zeeland geboren. Zijn ouders waren Francis, een loodgieter, en Rose. Chook bleek een uitstekende zwemmer en rugbyspeler te zijn. Op zijn zestiende ging hij van school af, werkte twee jaar als tapijtlegger en gaf zich toen vrijwillig op bij de Royal New Zealand Air Force (RNZAF). Dat was in november 1940, toen de tweede Wereldoorlog al een jaar woedde.

Chook kwam, na een omzwerving in Canada, uiteindelijk in Engeland terecht, waar hij bij de RAF vloog. Het was daar dat hij tot over zijn oren verliefd werd op Doris Ackerman - 'Pat' voor de vrienden -, een knap meisje uit Noord-Londen. Pat was soldate bij de Auxiliary Territorial Service (ATS), de vrouwelijke tak van het Britse leger.

Van de stormachtige romance kwam eerst een verloving en daarna, op 13 januari 1942, een huwelijk. Hij was toen 20, zij 19. Pat zwoer dat hun oorlogshuwelijk voor eeuwig was. Maar al na enkele maanden werd Chook naar India gestuurd om de Japanse vijand in de lucht boven de Staat Birma aan te pakken. Pat moest hem beloven dat ze naar Nieuw-Zeeland zou afreizen om Chooks ouders voor het eerst te ontmoeten, als hij zou omkomen in de oorlogsstrijd.

Gedood tijdens actieve dienst
Chook vloog met een Hurricane-gevechtsvliegtuig boven Birma. Op kerstavond in 1942 waren er zware luchtgevechten tussen de Britten en de Japanners, waarbij de Hurricane van Chook neergeschoten werd. De piloot werd 'KOAD' verklaard, 'killed on active duty' of 'gedood tijdens actieve dienst'. Zijn Nieuw-Zeelandse familie en zijn vrouw in Londen rouwden om het overlijden van Chook. Volgens de legerleiding was er geen enkele hoop voor Chook Fergusson. Zijn Hurricane was neergestort en in vlammen opgegaan en de piloot had zijn parachute niet kunnen gebruiken.

En toch overleefde Chook op miraculeuze wijze. Het klopte dat zijn parachute ongebruikt bleef, maar het vliegtuig was ontploft net voor het tegen bijna 500km/uur tegen de grond smakte. Onwaarschijnlijk genoeg werd een brandende Chook de lucht ingekatapulteerd en landde hij in de Irawajirivier. Het water brak zijn val en bluste de vlammen. Hij behoort zo als een van de weinigen tot de fameuze "jan-van-gent-club", naar de zeevogel die vertikaal het water induikt om vis te vangen. Nog geen twintig militairen overleefden een soortgelijke crash tijdens WOII.

Bajonetten
Chook Fergusson zweeg een halve eeuw over zijn oorlogsverleden, om zijn familie te sparen. Aan zijn vriend, Bryan Church (65) uit Taradale, deed hij wel zijn verhaal. Pas op de begrafenis van Chook lichtte Church de familie in. "We vlogen boven een bos toen de Japanners plots op ons schoten. De kogels vlogen langs mijn cockpit en ik zag maar één uitweg om het er levend vanaf te brengen: een vertikale duik. De grond kwam angstwekkend op mij af. Ik besefte dat ik het niet zou halen en ik raakte buiten westen." Hij kwam bij toen hij in het water stond. Zijn parachute was door de ontploffing van zijn schouders gerukt en werd nooit teruggevonden.

"Twee Japanse soldaten renden het water in en richtten hun bajonetten op mij. Ik wou mijn pistool trekken, maar slaagde er niet in met mijn zwaar gehavende handen. Ik was verzwakt en werd gevangengenomen."

Executie met zwaard
Voor zijn dood had Chook nog aan iemand anders verteld over zijn wedervaren tijdens WOII. Dat was aan Patrick Bronte, die vanaf zijn zestiende bijna geheel verlamd was na een duikongeval. Chook zei hem dat hij zwaarverbrand was in zijn gezicht, aan zijn handen en in de liesstreek. De Japanners pakten hem onmenselijk hard aan, behalve een Engelssprekende arts. "Ik wou niet zeggen tot welk escadron ik behoorde en ze waren razend. Ze trokken de verbanden van mijn hoofd en brachten mij naar een heuvel. Ik moest gehurkt met mijn hoofd naar voren neerzitten en een militair trok zijn zwaard. Ik wist wat komen zou." Maar plots kwam een hogere in rang met zijn auto aangevlamd en hij stopte de executie.   

Chook zou nog 2,5 helse jaren in gevangenschap meemaken. Op een gegeven moment knabbelden ratten aan zijn dode huid. Hij moest voor de gevreesde geheime Japanse politie, de Kempeitai, verschijnen, omdat ze niet konden geloven dat hij een piloot was die de vliegtuigcrash had overleefd. Ze dachten dat Chook een spion was.

Onmenselijk wreed
De onmenselijke Jappenkampen stonden erom bekend hun krijgsgevangenen veel wreder te behandelen dan andere landen tijdens WO II. Geweld en foltering waren dagelijkse kost. Duizenden stierven aan ziektes of ondervoeding. Anderen werden onthoofd of opgehangen.

Of geëxecuteerd met de kogel. Zoals de Canadese piloot die op het einde van de oorlog gevangengenomen werd en de anderen moed gaf. "Die nacht namen we een penetrante geur van gekookt vlees uit de keuken waar", zei Chook. "We konden vlees ruiken in een tijd waarin het schaars was." De Canadese soldaat werd nooit meer teruggezien. Andere krijgsgevangenen groeven de restanten van zijn lijk even later weer op en zagen dat het opengehaald was. Ingewanden als de lever en het hart waren weggenomen. Kannibalisme, wisten de gevangenen meteen. De Japanners hadden de Canadees vermoord en zijn organen opgegeten.

Op 5 mei 1945 werd Chook bevrijd door de geallieerden. Hij hees meteen de Britse vlag boven het kamp. Typisch Chook.

Van 80 kilo naar 35
Tijdens zijn gevangenschap kreeg Chook beriberi, schurft, maagzweren en dysenterie. Toen hij het kamp werd binnengebracht, woog hij 80 kilo. Toen hij er weer buitenkwam nog amper 35 kilo. Op zijn 21ste schatte kapitein Brian Weston hem in het kamp meer dan 70 jaar oud.

Chook Fergusson overleefde die afschuwelijke, helse nachtmerrie. Maar wat met zijn vrouw, Pat? Chook durfde haar niet rechtstreeks te benaderen en zond een telegram naar zijn schoonvader: "Papa, als Doris niet hertrouwd is, mag ik dan naar huis komen? Liefs, Chook." Onnodig te zeggen wat voor emotioneel effect dit had bij Frank Ackerman én bij zijn dochter, Doris, die nog altijd thuis woonde. Pat was wel verloofd met een Amerikaanse piloot, maar had hem gezegd dat ze niet wilde trouwen voor het einde van de oorlog. Voor het geval dat Chook toch nog leefde. Pat brak haar verloving af en verklaarde haar liefde opnieuw aan de man die uit de doden was opgestaan. Twee maanden na de oorlog, in november 1945, was het koppel herenigd in Engeland.

'Weduwenbelofte' gehouden
Doris 'Pat' Ackerman was haar 'weduwenbelofte' aan Chook nagekomen. Na de vermeende dood van Chook was ze per boot naar Nieuw-Zeeland gereisd - een lange, hachelijke reis - om Chooks ouders te ontmoeten. Ze bleef er een paar maanden om dan weer naar huis te gaan.

In 1946 trok het paar op huwelijksreis naar Nieuw-Zeeland, waar ze een nieuw leven begonnen. Met een tussenstop in Italië. De RNZAF verhoogde de rang van Fergusson en stuurde hem met pensioen. Chook ging weer tapijt leggen en werd later melkveehouder. Chook en Pat kregen vier zonen. Chook was uiteraard nooit meer dezelfde na de hel in het Japanse kamp. Hij had constant nachtmerries en ging er na de geboorte van zijn eerste zoon psychisch onderdoor. Maar de band tussen Pat en Chook was ijzersterk en doorstond alles. Op 12 december 2004 stierf Chook op 83-jarige leeftijd. Een tweede keer, nadat de bekende Japanse 'topgevechtspiloot' Satoshi Anabuki - zo bleek - hem destijds had neergehaald. Anabuki had 39 'overwinningen' of doden op zijn naam, een bedenkelijk record.

Samen begraven
Pat was twee jaar eerder overleden. Ze werd 79. Ze liggen beiden samen begraven in Taradale. Chooks familie betreurt nog altijd dat zijn moed nooit beloond werd met een eremedaille. Lord Ashcroft vond het zijn "nederige en bevoorrechte" taak om Chook Fergusson alsnog postuum te bezingen als oorlogsheld.