Verdediging Wellens: "Buikgevoel bondsprocureur is geen rechtsgrond"

BELGA
De uitgestelde hoorzitting van ex-veldrijder Bart Wellens voor de Disciplinaire Commissie van de Koninklijke Belgische Wielerbond (KBWB) vond vandaag plaats in Vorst. De verdediging van Wellens, onder aanvoering van advocaat Johnny Maeschalck, verlangt van de bondsprocureur dat hij met bewijzen komt die kunnen aantonen dat Wellens verboden middelen heeft gebruikt. Wellens moet zich verantwoorden in de dopingzaak rond de Leuvense ozondokter Chris Mertens.

Bart Wellens hing in maart van dit jaar zijn fiets aan de haak maar riskeert 70 procent van zijn jaarsalaris af te moeten geven, alsook de schrapping van zijn resultaten in de periode waarvoor hij terechtstaat. Wellens werd door de procureur ter zitting beschuldigd van het gebruik van ozontherapie in januari 2011, vlak voor het BK en het WK. Ook zou Wellens een verboden bloedinfuus gebruikt hebben in 2010.

De verdediging wil van de bondsprocureur bewijzen zien. "De procureur heeft een slecht buikgevoel maar dat is geen rechtsgrond", zei advocaat Maeschalck. "Daarom willen wij weten: is er ozon gebruikt? Zo ja, welke ozon wanneer?", wierp Maeschalck de disciplinaire commissie voor.

Bovendien is er volgens de verdediging één groot probleem in de vordering. Als er al ozon gebruikt zou zijn, dan dateert dit van voor 1 januari 2011 en toen stond ozon nog niet op de lijst van verboden middelen.

De procureur vordert dat Bart Wellens op 7 en 27 januari 2011 ook nog contact had met dokter Mertens. "Een afspraak met een dokter is toch niet verboden? Uit welk stuk blijkt dat er gezondigd is aan een verboden methode?", vraagt Maeschalck zich af. Dat de procureur de afspraak op 27 januari verdacht vindt, begrijpt de verdediging helemaal niet. "In het dossier staat duidelijk dat Wellens bij dokter Mertens was voor amoxicilline. Uit de verkoopshistoriek van de apotheek, die we bij het dossier hebben gevoegd, blijkt dat Wellens op 5 februari amoxicilline afhaalde bij die apotheek", aldus Maeschalck.

Het verdict in deze zaak valt op 1 juli 2015.