Vlaanderens bekendste stuntman Olivier Bisback werkt aan biografie: “Ik wilde schrijver worden”

Olivier Bisback
Kristof Ghyselinck Olivier Bisback
Bijna tien jaar na zijn eerste sportboek ‘Fantastisch Fit’ maakt ’s lands bekendste stuntman en –coördinator Olivier Bisback (45) werk van het vervolg ‘Inzicht’ over spirituele en mentale groei. Daarnaast schrijft hij ook volop aan ‘Stuntman: Vallen & Opstaan’, zijn biografie gekoppeld aan een exclusieve kijk achter de schermen van de (inter)nationale film- en tv-wereld. Tot zijn persoonlijke vriendenkring behoren intussen kleppers als Matthias Schoenaerts en Jean-Claude Van Damme.

Nog tot half april beheersen de opnames van de nieuwe één-reeks ‘Black-out’, met Geert Van Rampelberg en Sara De Roo in de hoofdrollen, in Antwerpen en Doel de agenda van Aalstenaar Olivier Bisback. Hij is stunt- en gevechtscoördinator voor de prestigieuze serie, een politieke actiethriller over een land in de ban van een complete elektriciteitspanne, die ten vroegste in de winter van 2020 uitgezonden zal worden. Daarna wacht alweer een internationale filmproductie. De teller staat ondertussen op bijna 260 projecten, een nationaal record. Eind september vorig jaar werd Bisback 45, maar qua fitheid moet hij niet onderdoen voor een twintigjarige topatleet. Aan stoppen denkt hij nog lang niet. ‘Ik ga nog zeker door tot mijn vijftigste of zelfs 55ste’, klinkt het zelfzeker. ‘En als ik de intussen 72-jarige Sylvester Stallone bezig zie … Kijk, ik was ooit de jongste stuntman van Vlaanderen en ik hoop ooit te kunnen stoppen als de oudste stuntman van Vlaanderen.’ (lacht)

Ondertussen ben je een kwarteeuw bezig, hoe heb je je vakgebied zien evolueren?

OLIVIER BISBACK: Toen ik begon, bestond mijn werk hier eigenlijk nog niet. We zaten nog volop in de behoorlijk amateuristische ‘De Leeuw van Vlaanderen’-toestanden. Mijn eerste opnames waren reeksen als ‘Wittekerke’, ‘Flikken’ en ‘Witse’. Veeleer banale gevechtjes, een vuistslag was al ‘wow’. Ik stak er als gevechtscoördinator al eens een kopstoot in, maar dat werd toen nog als te gewelddadig bestempeld, dat kon niet. In Amerika zijn ze wat dat betreft altijd een paar stappen voor geweest. Beetje bij beetje heb ik geprobeerd mijn stempel te drukken op actie- en gevechtsscènes. Hoe ik mijn stijl zou omschrijven? Rauw realisme, R in het kwadraat. (lachje) Nu word ik gevraagd omdat mijn choreografieën origineel en vernieuwend zijn. Het is allemaal veel technischer geworden in vergelijking met vroeger. Niet onterecht trouwens, want je mag de beste film ter wereld hebben, als een bepaalde vuistslag er niet realistisch uitziet, is je productie om zeep. Dat heeft iedereen intussen wel begrepen.

Je bent zowel in Hollywood als hier kind aan huis, wat zijn de grootste verschillen?

In het buitenland hebben ze meer middelen, meer tijd en meer geld. Daar tegenover staat onze creativiteit. Op dat vlak kan ik me hier veel meer uitleven. Ik help de mensen van de special effects en zij helpen mij. Iedereen is er voor elkaar, iedereen kent iedereen, een echt team. ‘We maken een film onder vrienden’, dat gevoel. In Amerika bestaat dat niet.

Hoezo?

Daar mag ik zelfs mijn eigen valmatten nog niet verplaatsen, want anders neem ik iemands job af. Ik was daar ooit mee bezig toen ik meteen op de schouder getikt werd. ‘That’s my job’, klonk het. Tja ... Regisseurs praten daar bijvoorbeeld ook niet met figuranten. Dat gebeurt via een tussenpersoon. Zoiets kan je je op een Belgische set niet voorstellen. Hollywood is leuk omdat je met big stars kan samenwerken, het is goed betaald en je draait doorgaans op fantastische locaties. Bovendien staat zo’n internationale productie altijd goed op je cv. Maar als ik daarna weer in Vlaanderen aan het werk ga, is dat echt een verademing.

Aan welke wereldsterren bewaar je goeie herinneringen?

Voor mij is destijds alles zo’n beetje begonnen met de film ‘JCVD’ van mijn jeugdidool Jean-Claude Van Damme. Als je er dan plots mee op een filmset staat, is dat natuurlijk geweldig. Zeker ook omdat hij ernaast zo’n aimabele man is. Hij houdt van de rust, zijn familie en niet te veel gedoe. Op dat vlak komen we goed overeen. Ik mag hem al jaren een persoonlijke vriend noemen. Net als Matthias Schoenaerts trouwens, nog zo’n internationale topper. Onze gedeelde passie is gevechtssporten en net als ik draait Matthias zijn hand niet om voor een intensieve training meer of minder. Hij is ook gul. In de zin dat hij je op een internationale filmset meteen aan iedereen voorstelt zodat je je direct opgenomen voelt in de groep. Wat toch niet onbelangrijk is om goed werk af te leveren. En ik moet zeker ook de Amerikaanse regisseur Brian De Palma, bekend van klassiekers als ‘Scarface’, ‘The Untouchables’ en ‘Casualties of War’, vernoemen.

Waarom?

Ik werkte met hem samen voor zijn film ‘Domino’. Onze eerste ontmoeting werd door een van zijn assistenten geregeld die me toebeet dat ik exact vijf minuten had, geen seconde langer. Waarop De Palma me uiterst vriendelijk ontving en alles haarfijn uitlegde. Toen hij me daarna nodig had, vroeg hij aanvankelijk nog naar ‘the stunt guy’, maar al snel werd dat ‘Oliver’. Hij vroeg geregeld zelfs mijn mening over bepaalde zaken. Toen de opnames al lang achter de rug waren, kreeg ik plots een persoonlijke mail van hem. Daarin stond dat hij het fijn samenwerken vond en dat hij me een echte professional vindt. ‘Dat had ik van meet af aan al door, hartelijk dank voor alles’, sloot hij zijn bericht af. Als je zo’n compliment krijgt van zo iemand … Daar doe je het voor, hé.

Wie is je tegengevallen?

Zonder enige twijfel Demi Moore. Ik stond met haar op de set van ‘Flawless’. Als stand-in van haar tegenspeler Michael Caine hadden we een paar scènes samen. Toch mocht ik haar niet rechtstreeks aanspreken. Dat moest via een tussenpersoon gebeuren, terwijl ze letterlijk naast me zat. En daar bleef het niet bij. Ze weigerde ook een bepaalde badscène te spelen tot het water de voor haar perfecte temperatuur had. Alles is altijd zo afgemeten in Hollywood … Een gesprekje met een collega-acteur is daar bijna verheven tot een pauselijke audiëntie. Terwijl de grootste sterren uiteindelijk ook maar gewone en vaak vriendelijke mensen blijken. Zoals Vanessa Paradis waarmee ik samenwerkte voor de Franse film ‘Le Chien’. Ik was nerveus om haar te ontmoeten. Al bleek dat totaal niet nodig. Dag en nacht verschil met Demi Moore. ‘Ah Olivier, ça va?’, klonk het meteen en het ijs was gebroken. Ook haar landgenoot Gérard Depardieu, die ik leerde kennen op de set van ‘Diamant 13’ heeft totaal geen sterallures. Zijn gevatte interventies en luide grappen brachten meermaals iedereen keihard aan het lachen. Naderhand was hij wel de enige die meteen zijn sérieux terugvond toen de regisseur ‘Actie!’ riep. (lacht) Echt een topacteur.

Je hebt een dochter Axelle, die bijna vijftien is. Hoezeer heeft het vaderschap je manier van werken veranderd?

Enorm. Toen ik net papa geworden was, moest ik een stunt doen waarbij ik op een hoogte van zestig meter aan een kraan hing. Het was heel koud die dag. De afspraak was om één minuut te blijven hangen. Door allerlei toestanden, lampen verplaatsen en dergelijke, duurde het uiteindelijk meer dan tien minuten. Plots kreeg ik een angstaanval. Heel kort, maar toch … ‘Stel dat ik hier nu naar beneden stort, wat zal er dan met mijn dochtertje gebeuren’, flitste door mijn hoofd. De stunt lukte, maar ’s nachts deed ik geen oog dicht. Ik herbeleefde dat moment en viel daadwerkelijk naar beneden. Of het vaderschap iets doet met een mens? Ja, dus. (lacht) Of ik sindsdien voorzichtiger geworden ben? Een stuntman is altijd voorzichtig en nooit een waaghals. De definitie van stuntman is niet voor niks ‘the person who goes to work the next day’ - de persoon die de volgende dag gaat werken. Als je dat begrepen hebt, ben je een goeie.

Hoe groot is Axelles invloed nu nog?

Behoorlijk. Toen ik pas begon was ik enorm ambitieus. Ik wou ergens geraken in mijn leven. Daarom focuste ik enorm op mijn job. Met als gevolg, zoals veel mensen uit de film- en tv-wereld, een echtscheiding met de mama van Axelle. Gewoon omdat ik altijd weg was: trainen, werken, repetities, vergaderingen, opnames, noem maar op. Sinds mijn dochter geboren is, vooral de laatste jaren, zijn zij en mijn vriendin het belangrijkste in mijn leven. Pas op, ik doe mijn werk nog altijd met even veel passie als vroeger, maar stel dat ik nu moet kiezen tussen voor mijn zieke dochter zorgen of filmopnames, dan zal de film even moeten wachten. Vroeger zou dat zelfs niet in me opgekomen zijn. Ik rij ook liever iedere dag 200 kilometer naar huis dan een week ergens in een Frans of Duits hotel te verblijven. Buiten mijn familie, vrienden en mijn film- en tv-werk heb ik trouwens niks. Ik heb geen sociaal leven. Mijn werk is mijn sociaal leven. Ik ben voortdurend aan het trainen, scenario’s aan het lezen, repeteren enzovoort. Het is een passie, een manier van leven.

En ondertussen nog twee boeken schrijven?

Ja, dat doe ik wel graag. Als kind wou ik schrijver worden. Later ging ik ook talen studeren. Ik werkte nog een tijd als vertaler-tolk Frans, Engels en Duits. Klinkt saai in vergelijking met wat ik nu doe? Niks is minder waar. In het dagelijks leven ben ik verre van een stuntman. Ik hou totaal niet van gevaar, ben eerder verlegen en gevoelig. Zelfs op de kermis of in een pretpark krijg je me met geen stokken op de minst spectaculaire attractie. (lacht)

Mag ik alleen nog weten waarom je een pet aanhebt met daarop ‘I’m not Olivier Bisback’?

Cool, hé? (lacht) Dat heb ik jaren geleden voor mijn verjaardag gekregen van mijn dochter. Ze was het toen een beetje beu dat ik in Aalst voortdurend aangeklampt werd door Jan en alleman die me dan vroegen waarmee ik nu weer bezig was. Toevallig had ik dat petje ook eens aan op een filmset en iedereen vond het geweldig. Sindsdien is het mijn handelsmerk. Van zodra ik nu dat petje op heb, ben ik ‘Olivier, de stuntman’. Dan durf ik alles, ken ik geen pijn, ben ik onbevreesd. Die pet belichaamt mijn alter ego. Ik weiger nooit iets op een set, maar soms ben ik wel zenuwachtig voor een bepaalde stunt. De dag ervoor dan toch, want op de dag van de opname zet ik mijn petje op en verkeer ik in opperste concentratie.

Precies of ik zit in een andere wereld. Die focus is het allerbelangrijkste. Vergelijk het gerust met een topbokser. Dat is 51 procent mentaal en 49 procent fysiek. Als je huiselijke of andere problemen hebt, ben je op voorhand al verloren. Hetzelfde geldt voor stuntwerk. De focus moet honderd procent zijn, of het loopt fout.’




Reacties

Alle reacties worden voor publicatie gelezen -en goed- of afgekeurd- door het moderatie-team van HLN. Elke reactie moet voldoen aan deze gedragsregels.
Je naam en voornaam verschijnen bij je reactie.