Charles Dickens zat in met arme vrouwen

Charles Dickens.
AP Charles Dickens.
Het Londense veilinghuis Christie's veilt op 21 mei een brief van Charles Dickens. Uit de brief blijkt de bezorgdheid van de literaire grootmeester voor vrouwen in armoede. De brief dateert van 1852 en is gericht aan Georgiana Morson, directrice van Urania Cottage, een opvangcentrum voor jonge prostituees dat werd opgericht door Dickens zelf.

Wie Charles Dickens enkel kent van de literatuurlessen op school, denkt meteen aan 'David Copperfield', 'Oliver Twist' en 'Great Expectations'. Weinigen weten echter dat de schrijver ook andere dan literaire ambities koesterde. Al op jonge leeftijd was hij gefascineerd door de 'vrouwen van de straat'. Een geheim is dat niet, gezien prostituees veelvuldig voorkomen in zijn werk dat vaak gebaseerd was op ervaringen uit zijn eigen leven. Zijn inspiratie voor Nancy en Betsy uit 'Oliver Twist', Martha uit 'David Copperfield' en Kate uit 'Nicholas Nickleby' haalde hij uit zijn vele nachtelijke wandelingen door Londen en gesprekken met vrouwen uit het milieu.

Dickens voelde medelijden voor deze vrouwen. Hij noemde hen de laagste en meest hulpeloze leden van de maatschappij, zonder toekomstperspectieven behalve miserie en armoede. Daarom richtte hij in 1847 in de omgeving van Shepherd's Bush het opvanghuis Urania Cottage op als een reddingsplan voor prostituees en andere jonge vrouwen in armoede. Het tehuis werd gefinancierd door Baroness Burdett-Coutts.

Echte thuis
Anders dan bij andere toenmalige opvanginitiatieven stond Dickens erop dat zijn "Home", zoals hij Urania Cottage zelf noemde, een echte thuis was voor de vrouwen. Volgens de biografie 'Charles Dickens: a life' van Claire Tomalin spoorde hij directrice Georgiana Morson aan het te runnen als een huishouden. De jonge vrouwen zouden goede maaltijden voorgeschoteld krijgen, ontvingen mooie kleding en werden door het personeel niet gewezen op hun verleden. Ze leerden huishoudelijke taken met de bedoeling op een dag werk te vinden of te huwen.

In een brief uit 1852 aan Georgiana, die hij schreef in zijn woning aan Tavistock Square, trof hij regelingen om een zekere Eliza Wilkin op te vangen. Hoewel het tehuis niet enkel prostituees opving, maar ook vrijgekomen gevangenen en werkloze vrouwen, behoorde Eliza wellicht tot de eerste categorie. Volgens de brief woonde de jonge vrouw immers bij haar vader.

"Kan u ondergoed sturen naar Eliza Wilkin, en geld om een warm bad te nemen - of liever twee", schreef Dickens in de brief. "Kan u ook een afspraak maken om haar te ontmoeten? Ze heeft een jurk die volstaat wanneer ze arriveert, maar een kap en dergelijke stuurt u haar het best op."

Vertrouwd met armoede
Dickens was meer vertrouwd met armoede dan de meeste Victoriaanse schrijvers. Als kind werkte hij zelf in een fabriek terwijl zijn ouders, zijn broers en zussen wegens schulden in de gevangenis verbleven. Vele nachten dwaalde hij door de straten van Londen, waarbij hij veel behoeftigen ontmoette.

Zijn werk in de instelling was niet gekend bij het grote publiek. Toen hij in 1853 een artikel schreef over zijn 'Home' in het tijdschrift 'Household Words', dat hij zelf uitgaf, werd dat dan ook anoniem gepubliceerd. Hij schreef dat dertig van de eerste 56 bewoners een goed leven leidden in Canada of Australië - zoals Martha in 'David Copperfield' - hoewel er drie 'hervallen' waren. Veertien anderen hadden beslist het tehuis te verlaten en tien werden op straat gezet wegens slecht gedrag.

Intussen verliep Dickens' privéleven niet op rolletjes. Toen hij in 1858 zijn vrouw Catherine - de moeder van zijn tien kinderen - verliet en barones Burdett Coutts partij koos voor haar, eindigde hun vriendschap. Het tehuis sloot in 1862. Georgiana Morson, die weduwe was, gaf haar job uiteindelijk op om te hertrouwen. Ze bewaarde veel brieven van Dickens, waaronder deze die op 21 mei geveild wordt. Hij bleef generaties lang in het bezit van haar familie en is nu het eigendom van een private verzamelaar.