Exclusief voor abonnees

Columniste Femke over haar liefde voor tatoeages: “Ik ging naar huis met een scheve tekst op m’n rug”

-
vtm -
Femke is 32 en een rasecht, ongefilterd Kempenkind. Ze is getrouwd met Mathias, die ze ontmoette op het dak van haar moeder - lang verhaal - en mama van Amedee, een rock-’n-rollkleuter van anderhalf. Ze verkoopt bier om de kost te verdienen, waarmee ze vooral het eten van haar (pleeg)katten en konijnen betaalt. Om van de vogels, kippen en vissen nog maar te zwijgen. Ze is een 40’s- & 50′s-lover (hallo, opvallende lippenstift), is zot van eten en nog zotter van mooie woorden. Op NINA.be schrijft ze elke week haar gedachten van zich af.

Ik hou van kunst, vooral van alles wat getekend en geschilderd is. Enfin, niet écht alles. Ik ben geen grote liefhebber van moderne technieken waarbij verf van ver op een doek gemept wordt, maar zolang er redelijk duidelijk te zien is of het nu over een paard of een bloempot gaat, ben ik mee.
 En het canvas waarop het kunstwerk prijkt is het minste van m’n zorgen. Ik hou van schilderijen op doek, grafitti op lelijke bakstenen muren, potloodtekeningen op papier en van permanente prints op vel. Yep, tattoos. Ik zit overduidelijk in Team Voor. Ik ben zelf de trotse eigenaar van enkele prachtige exemplaren. Hoe dat zo gekomen is? 
Die vraag werd me enige tijd gesteld door een oude man (zijn woorden!) en tegelijk vroeg hij me ook welk statement ik daarmee wilde maken.


Gho... Een statement. Geen, denk ik. Of althans: Nu niet meer.
 Dat was bij m’n eerste prentje misschien wel anders. Ondertussen ruim elf jaar geleden liet ik mijn allereerste tatoeage zetten. Ik was altijd al een soort ik-wil-wel-maar-ik-durf-niet rebel, maar naarmate ik mijn puberharen afschudde vond ik mijn draai in de rol van schenenschopper. Ik was altijd op zoek naar een manier om nét iets anders te zijn dan de rest. In eerste instantie liet ik een rits piercings door m’n lijf boren waardoor ik op café probleemloos dienst kon doen als meeneemkapstok. Maar toen die dingen opeens mode werden moest ik op zoek naar een alternatief. In die tijd bleven de meeste van die kunstwerkjes nog zedig verstopt onder driekwartleggings en haltertops, dus had ik al snel m’n nieuwe pad gevonden. Maar omdat er ondanks die rebellie toch nog ergens een beetje gezond verstand was blijven hangen, was ik ervan overtuigd dat ik héél goed moest nadenken over iets dat toch redelijk “voor altijd” was. Ik bedacht hoe mijn tattoo eruit moest zien en zette een alarm in m’n gsm dat exact een jaar later zou aflopen. Als ik op dat ogenblik nog steeds overtuigd zou zijn van m’n idee, zou ik naar de tattooshop stappen. 


Zo gezegd, zo gedaan en een jaar na datum was ik nog steeds zeker van m’n stuk. Dat moest ook wel, want het zou m’n enige tattoo blijven, dat had ik beloofd aan ons moeder. Ze zou midden op m’n rug komen en zou simpelweg bestaan uit de woorden “Een hart liegt nooit”. Mooie boodschap, geen frulletjes of tierlantijnen, gewoon wat het is. Dus ik -toch met enigszins klamme oksels- naar een boetiekje in de Noorderkempen. De man die me onder handen zou nemen had een goede reputatie in het vak, maar toen ik hem tijdens het tatoeëren onophoudelijk hoorde snuffen en meermaals het voorbeeld terug uit de vuilbak hoorde graaien besefte ik dat ik hem op een zwak moment getroffen had. Fijne vent, maar bleek zo stoned als een garnaal. Mijn innerlijke rebel zat nog in de auto, dus hield ik m’n mond en ging enige tijd later naar huis met een scheve tekst op m’n rug. Bleek ook net op zo’n hoogte te staan dat het merendeel van m’n t-shirts “Een hart liegt” lieten lezen. Ik was zwaar teleurgesteld én werd het mikpunt van spot voor m’n jongste broer, want die zag er de lol wel van in. En ik had er nog wel zo goed over nagedacht. Dik in’t zak gezet, zeggen ze dan.


Maar toen twee jaar later m’n bompa overleed, begon het weer te kriebelen. Ik vond een eerbetoon aan hem een goed excuus om de belofte aan ons moeder te verbreken en liet een sober stokventje met een sterretje op m’n pols graveren. En omdat ik de rest van m’n familie niet wilde uitsluiten, kwam er voor hen nog een ankertje boven m’n hiel. En toen was het hek van de dam. 
Ik had telkens wel een nieuw fantàstisch idee dat ik koste wat het kost moest hebben omdat ik er anders m’n leven lang spijt van zou hebben (of dat dacht ik althans). Mijn man en ik waren ondertussen terechtgekomen bij de piepjonge, maar erg getalenteerde nieuwe collega van mijn scheve schrijver die keer op keer exact toverde wat wij in gedachten hadden. 
Ondertussen is er dus elf jaar gepasseerd en hoewel ik niet extreem getatoeëerd, ben ik toch aardig voorzien van fijne kunstwerkjes. Op m’n ribben en m’n bil en m’n bovenarm. In m’n hand en op m’n voetzolen en een nieuw stuk op m’n rug omdat dat beter werkte dan Tippex. Zelfs onze trouwringen zijn getatoeëerd. Dat statement en die rebellie heb lang gelden achter mij gelaten, ik doe het gewoon omdat ik het mooi vind. 


En hoewel tattoos al lang niet meer alleen voor rebels, matrozen of marginalen zijn, zijn er nog altijd tegenstanders. Mensen die me een scheve blik toewerpen wanneer ik met mijn getatoeëerde arm achter de kinderwagen loop. Degenen die vinden dat het zelfverminking is. Ach, da’s ook oké. We hoeven toch niet allemaal hetzelfde te zijn? Niemand hoeft akkoord te zijn met de keuzes die iemand anders maakt, zolang er niemand in gevaar wordt gebracht. Ik vind ook niet alle kapsels mooi of denk bij het spotten van een bijzondere kledingkeuze ook al wel eens “Blij dat het uit jouw kast komt en niet uit de mijne.” Mijn lijf is het mijne en dat van hen is van hen. En daar heeft niemand affaire mee, denk ik dan. Een grijze muis kan zeker schoon zijn, maar eentje met glitters ook.