Week tegen Pesten: “Ik zei tegen mijn man: ‘Gooi me van de trap, dan hoef ik niet naar het werk’”

Getty Images/iStockphoto
Vorig jaar ontving IDEWE, de grootste externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, 2.789 meldingen van psychosociale risico’s. Dat waren er maar liefst 23% meer als in 2017. Met stip op nummer 1: conflicten op het werk (42,6%), gevolgd door ‘stress en burn-out’ door een te hoge werkdruk (22,7%) en pesten (15,6%). Omdat het deze week de Week tegen Pesten is, delen we op NINA.be een week lang verhalen van onze lezers.

“Als prille twintiger ging ik aan de slag als keukenhulp in een rusthuis. De eerste weken verliepen vlot. Het klikte meteen met iedereen, behalve met een ietwat oudere dame die dezelfde job uitvoerde als ik. Ze was van bij de start kortaf en ze verhulde niet dat het niet boterde tussen ons. Blijkbaar kon ze het niet verkroppen dat ik meteen voltijds mocht werken, terwijl zij en de anderen geen voltijdse uurregeling kregen. In het begin spendeerde ik weinig aandacht aan haar opmerkingen. Ik dacht dat het beter was om er niet op in te gaan.”

“Systematisch ging het daarna van kwaad naar erger. Geleidelijk aan begon ze alles wat ik in groep vertelde in twijfel te trekken of maakte ze me ronduit belachelijk. Ze begon me ook doelbewust te saboteren. Iedereen had een specifiek takenpakket, dat volgens een strak tijdschema afgewerkt moest worden om ervoor te zorgen dat alle maaltijden op tijd geserveerd konden worden. Als dat niet gebeurde, liep alles in het honderd. Daar maakte ze dankbaar gebruik van. Zo schakelde ze achter mijn rug om het koffiezetapparaat uit, waardoor de bewoners ’s namiddags anderhalf uur op hun koffie moesten wachten. De eerste keer had ik dat helemaal niet door. Ik dacht dat ik een fout gemaakt had. Ik werd flink berispt door de kokkin en ik voelde me erg slecht. De daaropvolgende keren wist ik wel zeker dat ik zelf niet verantwoordelijk was. Hoewel ik het haar nooit effectief heb zien doen, zag ik haar één keer uit de keuken komen, en toen ik dat ging controleren, stond het toestel uit. Eenmalig heb ik er toen iets over gezegd. Ze ontkende en wierp zelfs op dat ze me alleen wilde helpen. Daarnaast wisselde ze ongemerkt de dagplanningen om, verstopte ze de afwasmiddelen of muisde ze er telkens vanonder als ze met mij moest samenwerken. Daardoor raakte ik in tijdsnood en maakte ik fouten. En elke keer opnieuw was ik diegene die door de kokkin terechtgewezen werd.”

“Op een bepaald moment heb ik de kokkin daarover aangesproken. Zij geloofde me niet, ze zei dat ik spoken zag. Ik probeerde het daarna nog een paar keer, maar er werd niet naar mij geluisterd. Mijn pester was erin geslaagd om ook de anderen te beïnvloeden.”

“Tijdens de daaropvolgende feestdagen volgde het keerpunt. Op kerstavond had ik de avondshift. Zodra mijn dienst erop zat, werd ik bij mijn schoonfamilie verwacht. Het was razend druk en het werk stapelde zich op, maar mijn pester en de hulpkok vertrokken netjes op tijd naar huis, waardoor ik met een gigantische berg afwas achterbleef. Toen ik maar niet thuiskwam, belde mijn man me op om te vragen waar ik bleef. Ik barstte meteen in tranen uit, want ik zag het echt niet meer zitten. Daarop is hij in zijn auto gesprongen om me te komen helpen. De daaropvolgende werkdag werd ik daarvoor door de kokkin op het matje geroepen. Toen heb ik beslist dat ik daar niet meer wilde blijven. De maat was vol. Ik schreef me in bij een interimkantoor en een week later mocht ik al op sollicitatiegesprek bij een bank. Nog voor ik de bevestiging kreeg dat ik daar kon starten, ben ik mijn kluisje op het werk gaan leeghalen. Ik wilde daar nooit nog een voet binnenzetten. In mijn ontslagbrief vermeldde ik dat ik vertrok door pesterijen. Enkele weken voor mijn vertrek had ik een gesprek gehad met de chef van het bedrijf, maar daarover hoorde ik daarna niets meer. Toen ik mijn ontslag indiende, confronteerde ik hem ermee. Hij wist niet hoe te reageren en stribbelde niet tegen toen ik weigerde om mijn opzegtermijn uit te doen.”

“Uiteindelijk heb ik slechts een klein jaar in dat rusthuis gewerkt, maar mijn pester maakte van elke dag een hel. Ik zat vaak op het toilet te huilen of ik kwam helemaal over mijn toeren thuis. Op den duur wilde ik zelfs echt niet meer gaan werken. Ik zei zelfs een keer tegen mijn man: ‘Gooi me van de trap af, dan hoef ik niet naar het werk.’ Mijn man herkende me niet meer. Hoewel hij zich zeer begripvol opstelde, kreeg ook hij er op een bepaald moment genoeg van. Hij wilde dat ik van me af beet, maar dat kon ik niet. Als je voortdurend gekleineerd en gekoeioneerd wordt, begin je ongelooflijk aan jezelf twijfelen. Ik trok me in mezelf terug en sloot me van iedereen af. Ik had nergens nog zin in. Nu zou zoiets me nooit meer overkomen. Als 24-jarige stond ik tegenover een vijftiger. Dat was op zich al een oneerlijke strijd. Naarmate je ouder wordt, sta je sterker in je schoenen. Nu laat ik niemand meer over me heen lopen.”




2 reacties

Alle reacties worden voor publicatie gelezen -en goed- of afgekeurd- door het moderatie-team van HLN. Elke reactie moet voldoen aan deze gedragsregels.
Je naam en voornaam verschijnen bij je reactie.


  • Danielle Duym

    Pesters zijn losers en zwakkelingen. De eerste die het nog met mij probeert, zal wat meemaken.

  • Johan Vervaeck

    Mijn pester was rond de dertig, een leidinggevende en ik 47. Hij maakte van iedere dag een hel, tot ik het niet meer aankon en moest vertrekken. Niemand hielp me en een aantal collega's steunde achter mijn rug, de leidinggevende in zijn opzet. Niemand bracht me ook maar één bezoekje tijdens mijn jarenlange ziekteperiode of belde me even op. En ja hoor, moest men het niet weten, mannen worden ook gepest.

Video