Exclusief voor abonnees

Sander verzweeg dat zijn vriendin verongelukte: “We verwachtten een kindje. Maar toen was er dat ongeval”

Beeld ter illustratie.
Getty Images/iStockphoto Beeld ter illustratie.
Geheimen. We steken ze weg, houden ze stil, bewaken ze met ons leven. Redactrice Sabine Vermeiren luistert elke week naar een Vlaming die wél praat. Vandaag: Sander had die avond z’n beste pak aangetrokken en stond haar op te wachten met een boeket bloemen. Maar Linde, te voet, kwam nooit aan. Een dodelijk ongeval, bleek achteraf. Met vluchtmisdrijf. Sindsdien torst Sander een geheim mee. Tegen zijn ouders en vrienden zei hij dat het uit was. De werkelijkheid was eindeloos veel erger.

Ook een geheim? Vertel het ons onder vier ogen en wij schrijven het neer. Uw verhaal in ‘Het Laatste Nieuws’. Alle details. Op één ding na: uw naam. Die blijft strikt geheim. Mail naar sabine.vermeiren@persgroep.be.

“Ik heb Linde leren kennen toen ik achttien was. Ze woonde op een uur rijden en zat op een dag in de tribune bij een wedstrijd die ik speelde. Je zou het me nu niet aangeven — ik sukkel met overgewicht — maar ik was in die tijd best aantrekkelijk. Ik sportte, had een goed lijf en wist dat ook van mezelf.” Hij denkt na. “Achteraf bekeken was ik misschien zelfs wat arrogant.”

“Toch had ik met vrouwen weinig ervaring. Ze deden me doorgaans niet zoveel. Linde was de eerste bij wie dat anders was. Ze kende één van mijn ploegmaats, raakte zo aan mij geïntroduceerd en van het ene kwam het andere. Ze was misschien niet klassiek knap, maar voor mij had ze alles. Blauwe ogen, bruin haar. En een goeie humor. Dat laatste, daar viel ik misschien nog het meest van al op.”

Onze toekomst

“Op onze eerste date hebben we al gekust. Erna hebben we meteen gevoeld dat het serieus zou worden tussen ons. Afstand mocht geen bezwaar zijn. Linde woonde ver bij me vandaan. Een nadeel. Maar zo verliefd we waren, pasten we daar een mouw aan. Om de twee dagen zagen we elkaar. Soms in de stad waar ik studeerde, soms in haar woonplaats, meestal ergens ertussen­in. Dan gingen we wat wandelen. Of iets drinken. De meeste van onze gesprekken gingen over onze toekomst. Waar we zouden gaan wonen. Wat voor huisje we wilden. In welke gemeente dat moest staan. Maar we zouden wachten, spraken we af. We studeerden nog. Het was te vroeg.”

“Met mijn ouders had ik in die periode een slechte band. Dat kwam door de thuissituatie en door het feit dat ik waarschijnlijk het kind was waar ze het minste werk mee hadden. Ik had een broer, dat was een echt probleemkind. Altijd wel iets mee aan de hand. Moeilijk handelbaar. Dat maakte dat het thuis niet echt fijn was. Altijd een gespannen sfeer. Veel ruzie. Ik schaamde me daarvoor. Het was niet de thuis waar ik Linde mee naartoe wilde nemen en dus gebeurde dat ook bijna nooit. Ik denk dat het maar twee keer voorgevallen is. Andersom liepen de dingen wél goed: haar ouders waren fijne mensen en ik was er altijd welkom.”

Genoeg aan elkaar

“Linde en ik deelden een flauwe humor en konden heel hard om elkaar lachen. Andere mensen zullen ons vast wel eens raar of vermoeiend hebben gevonden met al onze belachelijke woordspelingen, maar voor ons werkte dat. Eigenlijk hadden wij — nu je het me zo uitdrukkelijk vraagt — nooit eens ruzie. We stonden de hele dag in contact met elkaar, stuurden de ene sms na de andere. Je zou kunnen stellen dat we al bij al, op dat lachen na, misschien best een saai koppel waren. Ik bedoel daarmee: het gelukkigst waren wij als we gewoon samen konden zijn. Een filmpje kijken, of zo. We hadden wel vrienden, maar dat kringetje werd kleiner en kleiner, merkten we. Alle clichés op een rij: we hadden genoeg aan elkaar.”

De man, hier vandaag in z’n knusse eetkamer, is 34 jaar. Wat hij vertelt, ligt twaalf jaar achter hem. Het is maanden, misschien wel jaren geleden dat hij de naam Linde nog eens hardop zei. Maar hij kan het nog altijd niet zonder verdrietig te worden. Was er die ene noodlottige avond, op de derde verjaardag van hun eerste kus, niet die moordmachine op vier wielen geweest, de wereld van Sander had er vandaag heel anders uitgezien.

“We zouden die avond ons jubileum vieren. Ik had gezegd ‘kom naar de hoek van de straat’. Dat ik een tafeltje had gereserveerd in een chique restaurant, wist Linde niet. Ik had mijn beste kostuum aangetrokken en een boeket bloemen meegenomen. Om zeven uur zou ze naar de afgesproken plek komen. Dat kon ze te voet, het was niet zo heel ver van bij haar thuis. Tegen half acht eten, was het plan.”

Dolle paniek

“Eerst dacht ik gewoon dat Linde niet op tijd was. Misschien was er iets tussengekomen. Maar om half acht werd ik onrustig en belde ik haar op. Geen antwoord. Ik bleef bellen en wandelde naar haar huis, maar alles was donker. Intussen werd het steeds later. Acht uur. Negen uur. Tien uur. Ik was in dolle paniek, want dat klopte niet. Uiteindelijk, om half twaalf, kreeg ik telefoon. Lindes vader. Kwaad. Alles was mijn schuld, schreeuwde hij. In de bocht van haar straat was ze, te voet, gegrepen door een auto. Iemand was getuige geweest. De bestuurder had vluchtmisdrijf gepleegd. Het moet allemaal gebeurd zijn nog voor ik daar stond te wachten.”

“Ik ben die avond nog naar het ziekenhuis gegaan. Dat was heel onwezenlijk. Hoe ze daar lag. Geen expressie meer, helemaal niks. Toen het ongeval gebeurde, had ze een cadeautje op zak gehad waar mijn naam op stond. Toen ik het opendeed — ik herinner me van dat moment nog elke seconde — zag ik dat er een babypakje in stak. Er zat ook een kaartje bij. ‘Proficiat papa’. Ze was dus zwanger. En had het me die dag willen vertellen.”

“De nacht van haar overlijden ben ik door de stad gaan dolen. Ik heb uren gewandeld. Toen ik ’s ochtends om vijf uur weer thuis kwam, huilde ik. Mijn moeder hoorde me en vroeg wat er aan de hand was. ‘Uit met Linde’, loog ik voor ik in mijn kamer verdween. Om er vanaf te zijn. Ze waren nooit geïnteresseerd geweest in Linde, waarom gingen ze dat nu wel zijn? Ik was al nooit een goeie prater geweest en ik kon het hen niet zeggen. Dat zei natuurlijk meer over mij dan over hen, ik weet het wel. Maar ik wou geen gedoe, geen medelijden. Ik wou het in m’n eentje verwerken.”

Alleen op de begrafenis

“In de dagen erna hield ik contact met Lindes ouders, die intussen hadden beseft dat mij geen schuld trof. Op de begrafenis zat ik heel alleen. Niemand van mijn vrienden of familie wist dat ik er was. Ik was 22, dat was een leeftijd waarop mijn ouders sowieso al vaker niet dan wel wisten waar ik was. In de kranten was over het ongeval geen letter verschenen en ik wist, door de grote afstand, dat niemand in mijn omgeving erachter zou komen wat er werkelijk gebeurd was. Slechts aan één vriend vertelde ik het een paar dagen later. Ik weet dat dit vreemd klinkt. Maar ik kon het het tegen de rest van m’n omgeving niet gezegd krijgen. Het was fout, maar ik kon niet beter. Iedereen kreeg dezelfde versie. Het was uit.”

“Ik heb na Linde jarenlang geen vrouw meer moeten hebben. Tot ik drie jaar geleden mijn huidige echtgenote leerde kennen. Ook zij kent de waarheid over Linde niet. Ook niet dat van de zwangerschap. Ik durf het haar niet zeggen. Ik wil niet dat ze zich tweede keuze voelt. Ze is een schat van een vrouw, we denken aan kindjes. Ze maakt me, na al die jaren, eindelijk weer gelukkig en dat wil ik niet op de helling zetten.”

Dader nooit gevonden

“Met de ouders van Linde is het contact verwaterd. Toen ze vijf jaar dood was, belden ze me. Er kwam een herdenking en ze hadden me er graag bij. Ik heb die avond het woord genomen en heb gezegd dat ik de dingen op mijn eigen manier verwerkt heb. Wat ik daarmee precies bedoelde, weet alleen ik. Ik ben blij dat ik dat toen gezegd heb. Het voelt alsof ik pas die avond echt afscheid van Linde heb kunnen nemen.”

“De dader van het vluchtmisdrijf is nooit gevonden. Dat houdt me weleens bezig. Dat ik al papa had kunnen zijn, daar probeer ik zo weinig mogelijk aan te denken. Het is niet zo en ik heb dat kunnen accepteren. Wat ik wél heel erg vind, is dat ik nooit heb geweten hoe het voor Linde was om zwanger te zijn. Waar was ze toen ze het ontdekte? Wat dacht ze? Was ze blij? Of toch vooral bang? Het doet me pijn, nog vaak, dat ze nooit de kans heeft gehad me dat te vertellen. Maar het voornaamste — hoe graag we elkaar zagen — is gelukkig niet onuitgesproken gebleven. We zeiden het elke dag. Twaalf jaar later ben ik die les niet vergeten. Misschien vindt m’n vrouw weleens dat ik overdrijf als ik haar weer eens vastneem of een spontane foto van haar maak. Maar dan weet ik: het kan morgen zomaar ineens gedaan zijn. En herkansen, dat bestaat dan niet.”

*Sander en Linde zijn fictieve namen.

Lees hier nog meer verhalen uit de reeks Mijn geheim.

Architectuurstudent Ken prostitueerde zich tijdens z’n eerste jaar op kot: “Ogen toedoen en cashen”

Marie doneerde in het geheim een eicel aan haar collega: “Ik durfde het alleen per sms voorstellen. ‘Hey Greet. Wat als ik je nu eens een eicel zou geven?’”

Inge heeft openlijk een relatie op het werk: “Seks met mijn lief, seks met mijn man. Maar nooit op dezelfde dag”