Exclusief voor abonnees

Nancy verzwijgt voor haar omgeving dat ze is opgenomen: “Ik zeg soms dat ik word behandeld voor kanker. Het taboe is te groot”

Beeld ter illustratie.
Bas Bogaerts Beeld ter illustratie.
 Geheimen. We steken ze weg, houden ze stil, bewaken ze met ons leven. Redactrice Sabine Vermeiren luistert elke week naar een Vlaming die wél praat. Vandaag: al drie maanden is Nancy opgenomen in een psychiatrische instelling, maar haar omgeving weet van niets. Liefst zou ze gewoon zeggen: ‘Het gáát nu even niet, ik moet me laten helpen’. In de plaats liegt ze, want niemand zou haar begrijpen. Dat ze op reis is, zegt Nancy. Of zelfs: behandeld wordt voor kanker. “Mensen vinden psychiatrie voor komedianten. Zelfs mijn eigen familie wil er niet van weten.”

We praten in het kamertje dat ze sinds september betrekt in het psychiatrisch ziekenhuis. Ze deelt het met een kamergenote, maar die is er niet. Het vertrek is sober. Twee bedden met identieke lakens, twee tafeltjes en een kleine badkamer. Het is er clean, nergens liggen persoonlijke spullen. De enige dingen die in deze kamer naar Nancy verwijzen, hangen boven haar bed. Het zijn kindertekeningen. Met zeemzoete woordjes erop, zoals ‘voor mijn liefste mama’. Er hangt ook een foto bij. Er staan twee meisjes en een jongen op. Het jongste zeven jaar, het oudste twaalf. Het zijn de hare, zegt ze. En ze toont een zeldzame lach.

Ooit had de vrouw, die hier op haar bed zit, een goeie baan bij een ministerie. Ze had collega’s, vrienden, een huwelijk, een léven. Nu blijft daar niks meer van over. Ze is gescheiden en op medisch pensioen gezet. Artsen zeggen dat ze een dysthyme stoornis heeft. Dat is een soort van langgerekte, chronische depressie. Terug te brengen tot haar jeugd, zegt ze.

“Ik was acht toen mijn moeder stierf. Mijn ­moeder: ik vergelijk haar graag met zo’n echte ­Italiaanse mama, ook al zat er geen spat zuiders bloed in haar. Iemand die veel kookte. Graag bakte. Ze was altijd thuis. Een ontzettend lieve vrouw. Ik verstopte me graag in haar rokken. Het kwam heel plots. Een hersenbloeding. ­­­’s Ochtends was alles nog in orde geweest, ’s middags was ik een halve wees.”

Zwarte wolk

“Vader bleef achter met drie kinderen, waarvan ik de oudste was. Hij trok zich niet veel van ons aan. We waren onverzorgd, liepen met luizen, moesten op internaat. We kregen geen deftig eten, droegen oude kleren. Instinctief heb ik het huishouden op mij genomen. Hier in de instelling noemen ze dat ‘parentificatie’: de rol overnemen van de weggevallen ouder. Van de middelbare school herinner ik me vooral de pesterijen om hoe vies we eruitzagen. Desondanks was ik een goeie student. Ik kon zelfs starten aan de unief. Maar ik ben ermee gestopt. Ik kon het niet combineren met de zorg voor mijn broer, mijn zus en mijn vader.”

“Op mijn 24ste leerde ik mijn man kennen. Eindelijk leek ik van de miserie vanaf. Ik kon weg van onder het ouderlijk dak, vond een goeie job bij de Vlaamse overheid en kreeg m’n leven op de rails. Twee jaar later kregen we een kind. Maar in plaats van een roze kwam er een knoert van een zwarte wolk op mij af. Toen ze in de verloskamer dat kleintje op mij legden, kon ik maar één ding denken: ‘Hoe kunt ge met kinderen doen wat ze met ons deden?’. Een maand na de geboorte ben ik opgenomen op een psychiatrische afdeling. Eerst alleen, erna met m’n baby. Tot dan had ik psychiatrie iets voor gekken ­gevonden. Ik was toch niet gek? Na drie maanden kwamen we thuis en dacht ik dat ik m’n oude leven kon hervatten. Niet dus.”

Tijdrekken

“Er kwam een tweede kind, dat ging goed. Maar bij het derde, in 2012, ging ik weer bergaf. Opnieuw een postnatale depressie, opnieuw een opname. Sindsdien zit ik in een sukkelstraatje. De eerste paar jaren ben ik nog zoveel mogelijk thuisgebleven. Sinds 2014 is het psychiatrie in, psychiatrie uit. Ik heb alles geprobeerd. Antidepressiva. Psychologen. Psychiaters. Therapieën allerhande. Niks helpt. Of tenminste: niks kan mij genezen.”

“Wat ik heb, is geen aanstellerij. Ik ben ziek. Ik zou doodgraag een normaal leven hebben. Maar als ik dan weer ’ns een tijdje uit de instelling ben, ga ik alles zwart en somber zien en moet ik me weer laten opnemen. Pas ­tijdens zo’n opname kom ik weer tot rust. Sinds 2014 zijn er nu al elf of twaalf van die opnames geweest. De dokters gaan ervan uit dat dat voor de komende jaren mijn vast ritme zal zijn: paar maanden thuis, paar maanden opname. Ze zeggen: ‘Het is geen kwestie van opnames vermijden. Het is een kwestie van tijdrekken tussen opnames.’ Het is verschrikkelijk dat het zo moet gaan. Maar het is niet anders.”

“Mijn huwelijk heeft het niet overleefd. Voor mijn man was dat geen leven. Hij heeft me op een dag aan de deur gezet. Sindsdien hebben we een soort van co-ouderschap. Ik zie de kinderen nu twee halve dagen per week. Ik verblijf op een open psychiatrische afdeling. Dat wil zeggen dat ik hier die twee halve dagen gewoon weg kan. Dan ga ik naar huis en probeer ik daar voor de kinderen een goeie mama te zijn. Ik vertel hen dat mama zieke hersens heeft. Dat vinden ze echt verschrikkelijk. Het zijn moederskindjes. ’s Avonds, als de kinderen weg zijn, kom ik weer gewoon naar hier.”

‘P’ van Psychiatrie

“In het begin, als ik opgenomen werd, vertelde ik dat nog tegen mijn directe omgeving. Maar dat is mij niet bekomen. Mensen begrijpen niet wat psychiatrie is. Ze denken dat wij hier in dwangbuizen rondlopen, in isoleercellen zitten en napoleonhoedjes op ons hoofd dragen. ‘Doe ne keer normaal’, zeggen ze. ‘Voor ons is het leven óók niet altijd makkelijk.’ Psychiatrie, dat is voor lafaards, vinden ze. Voor komedianten. Zelfs mijn eigen familie wil er niet van weten. Mijn broer, mijn zus en mijn vader weten dat ik hier ben sinds september. Ik heb ze nog niet ­gehoord. Niet eens een sms. Ze denken dat dat hier Club Med is. Ooit vroeg ik hen: ‘Moest ik nu kanker hebben. Of moest ik hier liggen als ­gevolg van een ongeval. Zoudt ge dan wél komen?’ ‘Ja’, zeiden ze.”

“Nu vertel ik tegen niemand nog over mijn ­opnames. Dat is niet moeilijk, want ik héb ook bijna niemand meer in mijn leven. Als je mentaal ziek bent, willen mensen niks meer met je te maken hebben. Het is alsof er een grote ‘P’ op je voorhoofd staat. Van Psychiatrie. Ze geloven je niet meer. Onlangs was ik bij de rugspecialist. ‘Amai. De psychiatrie. Moogt gij daar dan ­búiten?’ Of die keer dat ik iets moest gaan tekenen bij de notaris. ‘Móógt gij wel tekenen?’ Dat soort van vooroordelen. Niemand verstaat wat wij voelen. Ik zeg weleens tegen mijn ­psychiater: ‘Zullen wij anders eens een week van hersenen wisselen?’”

Kleinkinderen

“Tegen mijn buren lieg ik. Ze zien natuurlijk dat ik er maar weinig ben. Ik zoek smoes na smoes. Meestal lieg ik dat ik veel tijd doorbreng bij m’n nieuwe vriend. En dat ik bij hem blijf slapen. Ik héb niet eens een vriend. Soms zeg ik ook dat ik op vakantie ben. Ooit heb ik zelfs wel eens iets over kanker gezegd of heb ik een hint gegeven naar nierdialyse of chemo. Slaat nergens op, ik weet het wel. Maar het taboe is zo groot, ik heb het gevoel dat ik niet anders kan.”

“Als mensen aan mij vragen wat ik anders zou willen in m’n leven, dan is het maar één ding. Ik wou dat m’n moeder niet gestorven was. Ik zou opgegroeid zijn als een normaal kind, ik zou verzorgd zijn geweest. In de plaats kwam ik bij het afval. De gevolgen draag ik nog steeds.”

“Voor mezelf koester ik weinig ambities meer. Ik zal hier sowieso zitten tot aan de ­kerstvakantie, daarna zien we wel. Dan volgt wellicht weer dagtherapie. Tot aan de volgende opname. Ik ga ervan uit dat dit voor het leven is. Het enige dat mij nog blij maakt, zijn de kinderen. Voor hen blijf ik leven. Ik hou dat vol. Dat is mijn plan. Ik droom zelfs van kleinkinderen. Mijn gezin is mijn alles. Ik hoop alleen dat mijn kinderen niet het stigma krijgen dat ze ­‘kinderen van een geesteszieke moeder’ zijn. Mijn oudste is twaalf, hij heeft liever dat ze er op z’n school niets van weten. Ik heb dit nooit gewild. Maar zij al zeker niet.”

Nancy is een fictieve naam.

Lees hier nog meer verhalen uit de reeks Mijn geheim.

Marie doneerde in het geheim een eicel aan haar collega: “Ik durfde het alleen per sms voorstellen. ‘Hey Greet. Wat als ik je nu eens een eicel zou geven?’”

Inge heeft openlijk een relatie op het werk: “Seks met mijn lief, seks met mijn man. Maar nooit op dezelfde dag”

Rudy ging 1.200 keer op prostitueebezoek: “Voor elke keer gemiddeld 100 euro. Reken maar uit”




7 reacties

Alle reacties zijn welkom zolang ze voldoen aan de do's en don'ts die je hier kan terugvinden: gedragsregels. Elke dag ontvangen wij duizenden reacties, het kan enkele uren duren voor jouw reactie wordt geplaatst. Wordt jouw reactie afgekeurd dan werd er geoordeeld dat deze onze gedragsregels schendt.


  • Mickey Binnemans

    Ik heb veel opnames gehad... en ik heb 3 kinderen. Ik heb moeten vechten voor co ouderschap nu is dat allemaal beter geregeld maar voor de rechtbank was ik het probleem omdat ik mij liet behandelen en de vader deed niets aan zijn drankprobleem en dat was goed. Nu wonen mijn 2 jongste kinderen bij mij en ben ik evenwichtiger. Niemand zou dat mogen meemaken maar ik ben er van overtuigd dat we er sterker uitkomen. Blijf vechten Nancy je komt er wel...

  • Saar Caron

    Jip of verslaving al even onaanvaardbaar. Maar deze mensen proberen wel iets he! Zou juist een trots moeten kunnen zijn omdat je toch probeert. Hoeveel zeggen niet "ik ben zo dus..."

  • Werner Cerisier

    Het probleem is hetzelfde voor mensen met een alcoholprobleem. De ganse straat kent het probleem maar de persoon is zogezegd opgenomen voor stress. Ja, stress van de alcohol maar dat mag je niet zeggen.

  • Patrick Mechels

    De ziekte van deze tijd en het wordt fel onderschat tot je het zelf meemaakt. De dikke egoïstische wereld maakt meer kapot dan je zou denken.

  • Jan De Vos

    Inderdaad, soms een heel groot probleem. Zeer vele Kennissen, vrienden kennen opeens die persoon niet meer, en ook directe familie wordt gemeden. Veel erger dan discriminatie, of vrouwonvriendelijk, ... ken mensen die dit meemaken.