Het motto van oorlogsjournalist Rudi Vranckx: “Don't give up The Fight”

Nathalie Samain
Met de documentairereeksen Tussen oorlog en leven (Eén) en De eeuwige oorlog (Canvas) werpt Rudi Vranckx een nieuw licht op de conflicten in Irak, Somalië en Afghanistan. In NINA vertelt de VRT-reporter wat hem drijft in het leven.

“Begin december ben ik zestig geworden. Een moment van bezinning, waar deze zin uit Get Up, Stand Up van Bob Marley perfect bij aansluit. Maar ook dit vers uit het gedicht van Dylan Thomas is een van mijn favorieten: Do not go gentle into that good night. Rage, rage against the dying of the light. Ga niet zomaar heen, verzet je tegen de teloorgang van het licht. Dat gaat over het leven. Als oorlogsverslaggever denk ik zeker nog niet aan stoppen. De laatste jaren is het werk fysiek wel zwaarder geworden. We slapen dikwijls op de grond, ik kan ook niet meer zo snel weglopen. Als tegenwicht kan ik bakken ervaring in de schaal leggen. Het begint me ook te dagen dat ik mijn verhaal soms anders kan vertellen. Vanuit de studio of via documentaires. Daarnaast wil ik mezelf toch op het terrein blijven voeden.”

“Geldingsdrang, dat heeft er altijd diep in gezeten. Als kind was ik de kleinste van de klas. En de jongste. Ik herinner me nog hoe verschrikkelijk hoog die bok in de turnles was. Ik moest mezelf echt opkrikken en zeggen: fuck, niet met mij. Desnoods kruip ik er met mijn ellebogen over. Die koppigheid heb ik van mijn grootvader. Net zoals mijn interesse in oorlog. Mijn grootvader zat bij de verzetsstrijders.”

“Ik hoop niets, ik vrees niets, dus ik ben vrij. Toen ik als negentienjarige student deze spreuk van de Griekse schrijver Kazantzakis op een kruis op de wallen van Heraklion zag staan, dacht ik: dat is het! Dat je niets hoopt, niets vreest en daardoor geestelijk vrij bent, was hét antwoord op alles waarmee ik worstelde. Als student geschiedenis zag mijn toekomst er niet echt rooskleurig uit. Dit motto heeft me jarenlang gedreven. Mettertijd ben ik beginnen te beseffen dat je altijd iets hoopt en vreest. Of dat wil zeggen dat je nooit echt vrij bent? Af en toe pieker ik daar nog over.”

“Als je dertig jaar naar de oorlog kan gaan, ben je dan goed terechtgekomen? Dat is betwistbaar. Maar ik wilde zo graag mee aan de bakermat van de geschiedenis staan dat ik die kans met beide handen gegrepen heb. Ik spiegelde me aan Justine Henin. Een fragiel meisje dat door karakter en volharding de wereldtop in het tennis bereikt heeft. Binnen mijn vakgebied streefde ik hetzelfde na. Elke feestdag was ik bereikbaar en beschikbaar om naar conflictgebied te vertrekken. Mijn talent wilde ik ten volle benutten.”

“Met de gedachte dat het morgen gedaan kan zijn, heb ik leren leven. De dood voor ogen zien, bezorgt me telkens opnieuw de daver op het lijf. Daarna ben ik blij dat ik nog leef, voel ik de opluchting. Ik heb een paar keer gedacht: ik stop ermee. Nadat in Irak mijn tolk Jassim met zestig kogels omgebracht werd, heb ik dat ook echt gedaan. De aanslagen bleven elkaar in zo’n hoog tempo opvolgen, dat ze geen nieuws meer waren. De waanzin was uitzichtloos, ik kreeg dat niet meer verteld. Vervolgens heb ik me twee jaar lang beziggehouden met documentaires over Congo. Daardoor leerde ik een nieuwe manier van vertellen, waardoor mijn werk als oorlogsreporter weer zin kreeg. Het is mijn leven.”

“Van mijn moeder heb ik empathie meegekregen. Dat maakt dat ik in oorlogsgebied met mijn hart naar de mensen toe stap. Ik wil het voelen. Daarna begint mijn geest pas te werken. Ik huiver van cynisme of eelt op mijn ziel. Vanuit die optiek ben ik met zes boeiende Vlamingen voor het Eén-programma Tussen oorlog en leven naar conflictgebieden getrokken. Die oorlogen herbeleven in hun gezelschap, gaf me een zekere geruststelling. Mijn gevoel zit nog juist.”

“Mijn werk, dat is zo’n allesomvattende bezigheid dat ik mijn hoofd niet meer kan stilzetten. Soms word ik moe van mezelf. Als tegengewicht voor alle hectiek hou ik vast aan rituelen. Thuis in Leuven begin ik de dag graag in een van mijn vaste koffiehuisjes. In Italië, waar ik een vakantiehuis heb, stap ik altijd bij Giuseppe binnen voor een goed glas wijn. En op reportage in oorlogsgebied leef ik op smeerkaas, een pot honing en Nescafé. Dat zijn mijn ankerpunten.” 




3 reacties

Alle reacties zijn welkom zolang ze voldoen aan de do's en don'ts die je hier kan terugvinden: gedragsregels. Elke dag ontvangen wij duizenden reacties, het kan enkele uren duren voor jouw reactie wordt geplaatst. Wordt jouw reactie afgekeurd dan werd er geoordeeld dat deze onze gedragsregels schendt.


  • Peter Van Cleemput

    Heen en weer vliegen tussen Brussel en het Midden-Oosten maakt van jou nog geen 'oorlogsreporter' mijnheer Vranckx. Hoe graag je dat mischien zou willen.

  • Theo Van Hoof

    Dit kan al een eerste besparingspost zijn bij de VRT. Vranckx en zijn BV reizen inperken. Wat is de toegevoegde waarde? Wanneer gat die Vranckx op pensioen, net zoals rooie Tinne?

  • René Mertens

    Als ge een schoenverkoper boeiend gezelschap kunt noemen !!! Natuurlijk zijn de bv's geschokt. Neem eens gewone mensen mee die dagelijks moeten knokken om rond te komen. Die zullen ook wel niet blij zijn met wat ze zien, maar toch, deze mensen hebben een ander verhaal te vertellen dan die omhooggevallen bv's en stinkend rijke schoenverkopers.