"Storing in hersenconnecties oorzaak van dyslexie"

THINKSTOCK
Een multidisciplinair team van onderzoekers aan de KU Leuven onder leiding van Bart Boets, werkzaam op de Onderzoeksgroep Psychiatrie, heeft op basis van hersenonderzoek bij 45 volwassenen personen aangetoond dat de oorzaak van dyslexie te situeren is in dysfunctionele connecties tussen delen in de hersenen. De onderzoeksresultaten werden vandaag voorgesteld in Leuven en verschijnen vrijdag in het vakblad Science.

De meeste talen hanteren een schriftsysteem dat spraakklanken weergeeft in visuele symbolen. Lezen en schrijven wordt geleerd door spraakklanken te koppelen aan deze symbolen. Mensen die lijden aan dyslexie - een erfelijke hersenaandoening die gekenmerkt wordt door ernstige en hardnekkige lees- en spellingsproblemen en die circa tien procent van de wereldbevolking treft - hebben hiertoe echter niet het vereiste inzicht in de klankstructuur van de taal.

Een aantal wetenschappers opperden in het verleden dat het fout loopt bij de representatie van spraakklanken in de hersenen. De Leuvense onderzoekers observeerden in het kader van hun onderzoek patronen van zenuwactiviteiten in de hersenen terwijl de betrokkenen luisterden naar spraakgeluiden bestaande uit klinkers en medeklinkers. "Tot onze verbazing ontdekten we dat deze neurale klankrepresentaties bij mensen met dyslexie perfect intact zijn en even robuust en onderscheiden als bij anderen", aldus Boets.

Ze ontdekten wel verschillen op vlak van hersenconnectiviteit. Delen van de hersenen die betrokken zijn bij de taalverwerking blijken bij mensen met dyslexie onvoldoende toegang te hebben tot de vermelde klankrepresentaties in andere hersendelen. Zo werd bijvoorbeeld vastgesteld dat de kwaliteit van een belangrijke hersenbaan tussen de auditieve cortex, die de klankrepresentaties bevat, en 'de regio van Broca', een belangrijke taalzone die instaat voor complexere fonologische processen, minder goed was bij dyslectici.

Therapieën ontwikkelen
"De verworven kennis biedt mogelijke aanknopingspunten om therapieën te ontwikkelen die zich specifiek richten op het verbeteren van de hersenconnectiviteit. Ik denk hierbij niet alleen aan gedragsinterventies maar ook aan het gebruik van non-invasieve hersenstimulatie", aldus Boets.

Bij de voorstelling wees hij er echter ook op dat er nog meer studies nodig zijn om de juistheid van de bevindingen te bevestigen. Momenteel loopt aan de KU Leuven reeds een nieuw onderzoek waarbij kinderen vanaf de leeftijd van vijf met een erfelijk risico op dyslexie om de twee jaar onderzocht worden.