Exclusief voor abonnees

Is je kind zijn hobby na een maand al beu? Zo maak je wel de juiste keuze

Van muziekles tot sport:
Shutterstock Van muziekles tot sport:
De meeste kinderen rollen bijna automatisch in een hobby. Omdat mama en papa ook in de Chiro zaten. Omdat de beste vriendjes volleyballen. Omdat de balletschool vlak bij huis is. Zijn er andere tactieken om tot een lovegame tussen je kinderen en hun vrije tijd te komen? Wij gingen te rade bij experten. “Het bestaat nog altijd: de papa met een onvervulde ­voetbaldroom, die de zoon dan maar moet ­waarmaken. Als de arme jongen dat weekend geen goal scoort, is papa’s weekend verpest.”

Eerst en vooral: “Het is heel goed voor kinderen om een hobby te hebben”, pleit Joris Lambrechts, ­pedagoog en onderzoeksmedewerker aan het Hoger ­Instituut voor Gezinswetenschappen. “Dankzij de muziekles word je cognitief sterker, sporten ontwikkelt je motoriek. Maar los van de specifieke ­vaardigheden die je kind leert, geniet het ook van heel wat contextvoordelen. Een groot deel van zijn tijd brengt het door in een andere context dan de thuisomgeving of de klas. Daardoor krijgt het weer een andere blik op zichzelf en oefent het vaardigheden op een ­andere manier. Door te leren omgaan met competitiedruk, maak je je weerbaarder tegen faalangst. Samen musiceren lukt alleen als je je leert af te stemmen op anderen. Een jeugdbeweging dwingt je om in functie van een groepsdoel te denken.”

Koninklijke Playstationbond

Wie zich plots extra veel zorgen maakt om zoonlief, omdat zijn enige grote hobby zich rond een PlayStation concentreert, hoeft dat niet te doen, aldus Joris ­Lambrechts: “Onderzoeken tonen aan dat hobby’s een grote plus zijn voor ­kinderen, maar een negatief effect op de groep kinderen die geen wekelijkse sportafspraak hebben, is volgens mij nog niet aangetoond. Gamen is in deze tijd ook een sociaal ­gebeuren, waarbij jongeren via hun ­hoofdtelefoon samen strategieën ­bedenken om hun team naar de ­overwinning te loodsen. Al zijn de ­gezondheidsvoordelen vanuit de luie zetel natuurlijk erg beperkt.”

Houterig in september, elastisch in juni?

1-0 voor de hobby dus. Maar hoe begin je aan de zoektocht naar een goede vrijetijdsbesteding? Stuur je je teruggetrokken zoon naar de Chiro, in de hoop dat je over enkele jaren een extraverte jongeman terugkrijgt? Of moet je houterige dochter op dansles zodat ze haar beentjes vloeiender leert bewegen? Joris Lambrechts: “Alles start met het goed luisteren naar je kind. Een hobby kies je niet voor je kind, maar mét je kind. De startvraag moet zijn: wat doe je graag? Een verlegen kind naar de jeugdbeweging laten gaan is op zich niet fout. Het is best mogelijk dat het in die omgeving een leuke plek in een groep vindt en dat zo zijn sociale ­zelfvertrouwen groeit.
Belangrijk is wel dat je negatieve druk vermijdt. Zodra het een moeten wordt en je kind zich keer op keer ongelukkig voelt, kan het zich onmogelijk positief ontwikkelen. Een tweede grote valkuil waar ik ouders nog altijd in zie trappen, is dat ze hun eigen wensen projecteren op hun kind. De papa met een onvervulde ­voetbaldroom, die de zoon dan maar moet ­waarmaken. Als de arme jongen dat weekend geen goal scoort, is papa’s weekend verpest. Het bestaat nog altijd en is uiteraard geen goed uitgangspunt voor het kiezen van een prettige ­bezigheid buitenshuis.”

Talentenjacht

Pedagoog Luk Dewulf raadt aan om de hobby af te stemmen op de ­talenten van je kind: “Een kind dat volop kan inzetten op wat het goed kan en graag doet, beleeft meer positieve ­emoties. Dat vergroot het zelfvertrouwen, de veerkracht en de weerbaarheid. Onderzoek toont zelfs aan dat die ­positieve emoties opgeslagen worden als voorraad voor later. Een kind dat op kamp gaat en daar volop zijn of haar ­talenten kan gebruiken, ervaart daar vier tot vijf maanden later nog positieve effecten van.”

Kiest je kind bijvoorbeeld voor een jeugdbeweging, kijk dan eens waarom precies: voelt het zich daar zo prettig omdat het goed is in het verbinden van mensen? Houdt het ervan om winnaarsstrategieën te bedenken bij een spel Dikke Bertha? Krijgen zijn of haar creatieve ­talenten daar elke zondagmidddag vrij spel? Of kickt het op de nieuwe uitdagingen die er wekelijks liggen te wachten? Zodra je in kaart kan brengen wát het precies is aan een activiteit dat je kind alle besef van tijd doet verliezen, kan je dat talent ook gaan opzoeken in ­andere contexten. In een zwembad zal een grenzenverlegger graag het aantal baantjes tellen om de persoonlijke prestaties te kunnen verbeteren. Een ideeënfontein zal in datzelfde water vooral genieten van het bedenken van nieuwe waterspelletjes.

In Dewulfs boek Iedereen talent! ontdekken ouders samen met hun kinderen hun talenten. Hij leidt ook coaches op, die tijdens pop-upevenementen gratis mee op talentenspeurtocht gaan met ­ouders en hun kroost (zie ook ­
kindertalentenfluisteraar.com).

Sportkompas

Voor een sportieve dochter of zoon biedt het Sportkompas een mooie aanzet in de keuze van een bepaalde sport. Er wordt met drie onderdelen rekening gehouden: wie ben ik, wat kan ik goed en wat doe ik graag? Verschillende gemeenten en scholen bieden deze wetenschappelijk onderbouwde test aan. Met de ‘Wat doe ik graag?’-vragenlijst krijg je al een eerste indicatie van de sportoutfit die je dit seizoen het best kan aanschaffen
(ilike.sportkompas.be).

Voor de vijfjarigen die geen idee hebben of ze liever met of zonder vriendjes klimmen, spurten of dribbelen, bestaan er gratis proeflessen die veel clubs in september aanbieden. Joris ­Lambrechts: “Laat je kind ­minstens drie keer proberen. De eerste kennismaking met een club, de leider en zijn aanpak, de teamgenootjes en de nieuwe omgeving maken dat een kind de sport nogal snel op die nieuwe prikkels beoordeelt en niet op de sportbeleving zelf. Vanaf een derde les lukt dat meestal beter.”

FC Geluk versus KVC Presteren

Niet dat de clubsfeer en de aanpak van de groepsleider geen factoren mogen zijn om voor een club te kiezen. Joris Lambrechts: “Op zich is competitie niet slecht. Kinderen mogen zich op een gezonde manier leren meten met anderen om zo zichzelf te kunnen verbeteren. Maar in clubs waar winnen het ­allerbelangrijkste is, ervaart een kind sneller negatieve druk en voelt het zich minder gelukkig. In zulke teams gaan kinderen agressiever spelen, krijgen ze meer rode of gele kaarten en op termijn zorgt dat net voor een rem op hun ­sportieve ontwikkeling. In groepen waar kinderen een gezonde, positieve druk ervaren, op de juiste manier gemotiveerd worden in het spel en zich gelukkig voelen, zien we dat zij zich beter ontwikkelen en op termijn zelfs meer wedstrijden winnen.”

Wie is de beste verliezer?

Wat met een kind dat zelf een winnaarsmentaliteit heeft? “Dat hoeft geen ­probleem te zijn, zolang het de eigen verwachtingen niet opdringt aan ­teamgenoten en uiteindelijk wel tot de olympische gedachte kan komen dat deelnemen belangrijker is dan winnen. Zulke kinderen kunnen ongelooflijke trekkers zijn in de groep, maar je moet er waakzaam voor blijven dat hun enorme drive niet ten koste gaat van een ontspannen teamspirit. Terwijl veel ­kinderen wat extra motivatie kunnen gebruiken, zal je deze enthousiastelingen moeten helpen om af en toe op de rem te gaan staan en leren om te gaan met ­frustrerende no-wins.”

Medaille voor supporters

Zodra je kind vertrokken is met de nieuwe hobby, wat is dan je rol als ouder? Is schuldgevoel terecht als je niet elke week aan de zijlijn supportert voor je oogappel? Nee, volgens Joris ­Lambrechts: “Uit onderzoek blijkt dat het niet zo belangrijk is hoe vaak de ­ouders aanwezig zijn op trainingen of matchen. Bij thuiskomst je kinderen laten vertellen over hun dag, is even helpend. Een luisterend oor, zonder oordeel. Dus niet: ‘De match verloren? Heb je dan zo slecht gespeeld?’ Wel: ‘Wat vond je er zelf van? Was het leuk?’ Ook als ouders wel van de partij zijn op ­trainingen en wedstrijden, is die ­positieve ondersteuning cruciaal. ­Ondertussen wéten we dat wel, en we willen ook graag de positivo’s aan de kant zijn, maar het blijkt toch moeilijker om dat ook echt toe te passen in het heetst van de strijd, of vlak na het sportevenement. Net zoals het niet ­evident is om niet naar die ene onvoldoende op het schoolrapport te kijken, blijft het blijkbaar behoorlijk lastig om te spreken over die mooie assists in plaats van over de gemiste penalty.”

Betrokkenheid

Lambrechts pleit wel voor enige vorm van ouderbetrokkenheid. “Veel trainers zien je kind meer uren per week dan hun klastitularis. We vinden het normaal dat we elk trimester naar het oudercontact gaan om te horen hoe ons kind het doet op school. Zo’n afstemming tussen de ouders en de coach zou ook niet slecht zijn. Al is het maar één keer per jaar tijdens een informeel kantinemoment of op het jaarlijkse mosselfestijn. De ­trainer kan jou op bepaalde zaken ­wijzen die jij als ouder niet ziet, waardoor je een rijker beeld van je kind krijgt. Omgekeerd is het ook nuttig dat de coach weet dat een kind dat lastig doet tijdens de training, thuis een moeilijkere periode beleeft.”

ABC-Dip

Iedere ouder kent het wel: de motivatiedip. Joris Lambrechts: “Bij een hobby waar kinderen graag naartoe gaan, zien we dat het ABC-model meestal goed zit. De A staat voor autonomie. Het is belangrijk dat een kind zelf mee kan beslissen welke hobby het doet. Als er binnen de activiteit zelf veel ruimte is voor een eigen inbreng, wordt het daar meestal blijer van. Een muziekleraar die vraagt: ‘Zullen we oefening 1 of 2 doen?’, werkt autonomie-ondersteunender dan een ­leraar die zijn lesplan ­gewoon afwerkt. De B staat voor ­verbondenheid (‘belonging’). Hoe meer een kind zich verbonden voelt met de leider en het team, hoe meer het zal uitkijken naar de afspraak. De C van competentie gaat over de juiste lat: voelt je kind dat het wordt uitgedaagd zonder dat het in een stressregime terechtkomt, dan zit deze factor goed. Als je merkt dat je kind minder gemotiveerd is, kan je het ABC-model er eens bij nemen om te ­kijken of er iets schort aan een van deze factoren.”

Eindmeet halen?

Wanneer is een dip geen dip meer, en kan je beter op zoek gaan naar een ­andere hobby? “Dat is moeilijk, en bij ieder kind ligt dat anders. Enerzijds is het goed om kinderen doorzettingsvermogen aan te leren. Zodra ze voor een hobby gekozen hebben, is het niet slecht hen te laten volhouden op moeilijke momenten. Merk je dat je kind keer op keer met tegenzin vertrekt én vertelt de leraar dat je kind ongelukkig blijft, dan mag je de handdoek in de ring gooien. Kinderen die hobbyshoppen en drie keer veranderen van activiteit tijdens een schooljaar, leren misschien te weinig volhouden. Kinderen die het hele traject van de muziekles móéten doorstaan, raken dat instrument later vaak nooit meer aan. Dat kan de bedoeling niet zijn.”

Lees ook binnen HLN+: 

Wat je wel en vooral niet moet doen als stiefouder in de opvoeding

Geef ik mijn kinderen wel genoeg aandacht? We vroegen het aan De Opvoedingslijn: “Quality time wordt overschat”

Hoe vier je ontspannen vakantie met kleine kinderen, zonder het gevoel dat je eigenlijk naar huis wil?




Reacties

Alle reacties zijn welkom zolang ze voldoen aan de do's en don'ts die je hier kan terugvinden: gedragsregels. Elke dag ontvangen wij duizenden reacties, het kan enkele uren duren voor jouw reactie wordt geplaatst. Wordt jouw reactie afgekeurd dan werd er geoordeeld dat deze onze gedragsregels schendt.