Generaal VS: "Afghaanse troepen vroegen om luchtaanval in Kunduz"

Het ziekenhuis van Artsen zonder Grenzen staat in lichterlaaie na een bombardement afgelopen zaterdag in Kunduz.
AP Het ziekenhuis van Artsen zonder Grenzen staat in lichterlaaie na een bombardement afgelopen zaterdag in Kunduz.
Het Amerikaanse bombardement zaterdag op een ziekenhuis van Artsen zonder Grenzen in de Noord-Afghaanse stad Kunduz was gevraagd door de Afghaanse troepen. Dat zegt althans de Amerikaanse generaal John Campbell, de bevelhebber van de buitenlandse troepen in Afghanistan. Artsen zonder Grenzen noemt de aanval een "oorlogsmisdaad".

Volgens de Amerikaanse generaal John Campbell was de luchtsteun gevraagd door de Afghaanse troepen die onder vijandelijk vuur van de taliban waren terechtgekomen. "Afghaanse troepen vroegen ons om steun omdat ze onder vuur lagen", aldus Campbell. Hij corrigeerde daarmee zijn eerdere uitleg dat de luchtaanval werd uitgevoerd om Amerikaanse soldaten te helpen, die in Afghanistan slaags waren geraakt met de taliban.

Het Amerikaanse bombardement heeft 22 doden geëist. De doden zijn 12 AZG-medewerkers en tien patiënten, onder wie zeker drie kinderen. Er is ook sprake van 37 gewonden.

Artsen zonder Grenzen heeft al zijn personeel teruggetrokken uit Kunduz. De hulporganisatie beschouwt het bombardement van hun ziekenhuis in het Noord-Afghaanse Kunduz als een oorlogsmisdaad. Secretaris-generaal Christopher Stokes zei dat hij "walgt" van de rechtvaardigingspogingen van de Afghaanse regering. "Dergelijke beweringen wijzen er op dat de Afghaanse en Amerikaanse strijdkrachten samen doelbewust hebben beslist een volledig functionerend ziekenhuis met de grond gelijk te maken."

Het Afghaans ministerie van Defensie had de luchtaanval eerder al gerechtvaardigd, omdat de taliban het ziekenhuis als schild zouden misbruikt hebben.

Ook de VN-Hoge Commissaris voor Mensenrechten sluit niet uit dat het om een misdaad gaat. "Deze gebeurtenis is bijzonder tragisch, onvergeeflijk en mogelijk zelfs crimineel", zei prins Said Raad al-Hussein.