"Reagan en Clinton als lichtend voorbeeld van de verkiezingscampagne"

De gewezen Amerikaanse president Bill Clinton.
AFP De gewezen Amerikaanse president Bill Clinton.
De Democraten kijken graag naar '96, het jaar dat Clinton zijn herverkiezing binnenhaalde, Republikeinen blikken terug op '80, het jaar Reagan Carter versloeg. Maar, waarschuwt Paul Brill in zijn serie over twee eeuwen presidentsverkiezingen, "een verkiezingscampagne is geen herhalingsoefening".

In elke Amerikaanse verkiezingscampagne komt er onherroepelijk een moment waarop er een vergelijking wordt getrokken met vroegere campagnes. Dat wil zeggen: zowel Democraten als Republikeinen gaan zich spiegelen aan een verkiezingsjaar dat voor hen gunstig is verlopen.

De Democraten zouden natuurlijk het liefst zien dat 2012 een soort reprise wordt van 1996. Dat was het jaar waarin Bill Clinton redelijk makkelijk zijn presidentschap wist te prolongeren.

Voorspoed
Helaas voor de Democraten: de vergelijking gaat totaal niet op. De verkiezingen speelden zich af in een periode van economische voorspoed. De werkloosheid was laag, het begrotingstekort uit de jaren tachtig was door de regering-Clinton fors gereduceerd.

De president had te maken met twee tegenstanders, die allebei hun beste dagen achter zich hadden. Zijn Republikeinse uitdager was Bob Dole, 73 jaar oud. Dole deed al in 1969 zijn intrede in de Senaat (voor de staat Kansas), was opgeklommen tot fractieleider van de Republikeinen en genoot zeker het nodige aanzien. Maar zijn kandidatuur wekte ook in eigen kring weinig geestdrift. Er overheerste het gevoel dat het er maar een keer van moest komen - apert betere kandidaten waren niet voorhanden en Dole had al eerder een gooi gedaan naar de nominatie (met name in 1988, toen hij op bruuske wijze de voet was dwars gezet door George Bush senior).

Leeftijd
Dole's gevorderde leeftijd deed zich duidelijk gevoelen tijdens de campagne. Toen een speler van de Los Angeles Dodgers een bijzondere prestatie had geleverd, feliciteerde hij de 'Brooklyn Dodgers', daarmee de indruk wekkend dat hij was blijven steken in de jaren vijftig toen de honkbalclub inderdaad in New York speelde en nog niet was verhuisd naar LA. Tot overmaat van ramp viel hij - overigens buiten zijn schuld - van een balkonnetje, wat een zeer onflatteus beeld opleverde.

Bob Dole.
photo news Bob Dole.


Clintons tweede tegenstander was de zakenman H. Ross Perot, die vier jaar eerder een rol van betekenis had gespeeld in de campagne en bijna 19 procent van de stemmen had veroverd. Maar de glans was er bij hem toch ook af, en dit keer bleef hij steken op 8 procent. Perot noch Dole kon in 1996 tippen aan Clinton, die - anders dan Barack Obama - op het politieke strijdtoneel altijd in zijn element was.


Reagan

Op hun beurt roepen de Republikeinen bij voorkeur 1980 in herinnering, het jaar waarin president Jimmy Carter hoopte te worden herkozen, maar overtuigend werd verslagen door Ronald Reagan, niet in de laatste plaats door een sterk optreden in het tweede televisiedebat. Op het eerste gezicht is er inderdaad sprake van een parallel: een sputterende economie en een weinig populaire president. Maar deze vergelijking heeft toch ook haar beperkingen.

Hoewel de werkloosheid in 1980 iets lager was dan nu (7,5 tegen 7,8 procent), waren andere economische indicatoren veel ongunstiger: de inflatie was opmerkelijk hoger en de hypotheekrente een veel zwaardere last. Als commander-in-chief was Carter ook kwetsbaarder dan Obama nu. Het langdurige gijzelingsdrama in Teheran werd door de Amerikanen ervaren als een vernedering, die nog pijnlijker werd toen een reddingsactie strandde in de Iraanse woestijn. De Republikeinen mogen Obama nu dan wel gebrek aan internationaal leiderschap verwijten, maar hij is wel de man die Osama bin Laden heeft geliquideerd en meer terroristen heeft uitgeschakeld dan zijn voorganger.

Over de hele linie is de waardering voor Obama trouwens groter dan die voor Carter destijds. Diens job approval rating was in de laatste maand voor de verkiezingen 37 procent. Nu vindt ongeveer de helft van de kiezers dat de president zijn werk redelijk doet.

Demografie
Misschien wel het belangrijkste verschil tussen 1980 en 2012 is de demografische opbouw van Amerika, zoals columnist Albert Hunt deze week signaleerde. Toen Reagan zegevierde, was 88 procent van de kiezers blank. Anno 2012 is dat percentage gedaald tot 74. In het niet-blanke segment van het electoraat heeft Obama een grote voorsprong. Het aantal jongere kiezers is ook toegenomen, althans vier jaar geleden. Slagen de Democraten erin hen opnieuw de gang naar de stembus te laten maken, dan is dat ongetwijfeld in het voordeel van de president.

Eén overeenkomst tussen 1980 en 2012 is er wel: in de slotfase van de campagne maakte Reagan een duidelijke zwenking naar het midden, net zoals Mitt Romney nu lijkt te doen. Zo wees hij staatssteun voor Chrysler en de destijds bijna failliete stad New York niet meer af. Reagan had daarbij wel weer het voordeel dat er, anders dan in het geval van Romney, geen twijfel bestond over zijn basisprincipes. Een draaitol werd hij nooit genoemd.

Kortom, al roert het verleden nog zo vaak zijn staart, een verkiezingscampagne is geen herhalingsoefening. Ook niet in 2012.

Jimmy Carter en Ronald Reagan.
AP Jimmy Carter en Ronald Reagan.

Paul Brill is buitenlandcommentator voor de Nederlandse krant Volkskrant, en volgt de Amerikaanse politiek al zo'n veertig jaar. Hij schreef een boek over de Amerikaanse presidentsverkiezingen: 1600 Pennsylvania Avenue, dat onder andere hier te bestellen is. Speciaal voor de Nederlandse nieuwswebsite Volkskrant.nl duikt hij elke week in de twee eeuwen historie van de Amerikaanse presidentsverkiezingen.

UNKNOWN