Zeven agenten, directeur en psychiater veroordeeld in zaak Jonathan Jacob

De correctionele rechtbank van Antwerpen heeft zeven agenten van het Bijzondere Bijstandsteam (BBT) veroordeeld voor onopzettelijke doodslag in de zaak rond het overlijden van Jonathan Jacob. Dat meldt de VRT. Ook de directeur en psychiater van het psychiatrisch centrum Broeders Alexianen zijn veroordeeld. De politiecommissaris van Mortsel en een andere agent werden vrijgesproken.

De toenmalige directeur en de psychiater van Broeders Alexianen in Boechout werden veroordeeld tot zes maanden cel met uitstel voor schuldig verzuim, omdat ze geweigerd hadden van hem op te nemen, ook al was zijn gezondheid in gevaar.

Voor wat de politiemensen betreft, werden de feiten geherkwalificeerd van 'opzettelijke slagen met ongewild de dood tot gevolg' naar 'onopzettelijke doding'. De politiecommissaris van de zone Minos, die het Bijzondere Bijstandsteam (BBT) erbij had geroepen, werd daarvoor vrijgesproken, evenals een lid van het BBT dat maar op het einde van de interventie erbij was gekomen. De zeven andere BBT'ers werden veroordeeld tot vier maanden cel met uitstel en 275 euro boete.

Geen van de 11 beklaagden was aanwezig bij de uitspraak. De veroordeelden zullen vermoedelijk verzet aantekenen. Dat betekent dat het proces overgedaan moet worden.

Jonathan Jacob (1983-2010).
vrt Jonathan Jacob (1983-2010).

De 26-jarige Jonathan Jacob was onder invloed van amfetamines toen hij in de ochtend van 6 januari 2010 werd opgepakt. Hij was blootsvoets en halfnaakt en maakte een verwarde indruk. Na een medisch onderzoek besliste de parketsubsitute met dienst dat hij moest worden opgenomen.
    
Hij werd naar het psychiatrisch centrum Broeders Alexianen in Boechout gebracht, maar de toenmalige directeur en de psychiater weigerden hem tot tweemaal toe, omdat hij zich agressief opstelde. Zelfs nadat hij gekalmeerd was en ermee instemde om in een isoleercel te worden opgesloten, kwam hij er niet in. Volgens de procureur waren ze nochtans wettelijk opgevorderd om hulp te bieden en was weigeren geen optie.

"Jonathan had nochtans alle symptomen van een amfetaminepsychose en het geagiteerd deliriumsyndroom. Hij verkeerde in een acute crisissituatie en diende behandeld te worden als een patiënt, niet als een relschopper. Gelet op zijn hulpbehoevende situatie was een politiecel wel de laatste plaats waar hij ondergebracht moest worden. De ingesteldheid van de beklaagden getuigt van een gebrek aan verantwoordelijkheidszin en plichtsbesef en valt niet te rijmen met hun verantwoordelijke functie, noch met hun hoedanigheid van geneesheer", oordeelde de rechtbank.
    
Jonathan Jacob werd dan maar opgesloten in een cel op het politiecommissariaat in Mortsel, maar ook daar was hij niet echt welkom. De parketsubstitute vorderde een arts, die de jongeman hopelijk wat kon kalmeren.

Een commissaris besliste om het BBT erbij te roepen, dat Jonathan moest immobiliseren zodat een arts hem een kalmerende inspuiting kon geven. Een beslissing, die gelet op de omstandigheden, niet onredelijk was. De commissaris kon volgens de rechtbank niet voorzien dat het zo fout zou uitdraaien en werd daarom vrijgesproken.

"Inschattingsfout"

Het BBT gebruikte de 'gestoorde procedure'. In zijn cel werd eerst een 'flashbang' gegooid, waarna de leden gemaskerd zijn cel binnenstormden met een schild en een duwvork. Jonathan kreeg rake klappen en overleed aan inwendige bloedingen.

De rechtbank kon op basis van de dossierstukken niet uitmaken welke handelingen tot zijn dood hadden geleid en wie ze gesteld had, maar het staat wel vast dat de interventie van het BBT in oorzakelijk verband staat met het overlijden. De feiten werden daarom geherkwalificeerd van 'opzettelijke slagen met ongewild de dood tot gevolg' naar 'onopzettelijke doding'.

De rechtbank vond dat de politiemensen een inschattingsfout hadden gemaakt. Ze hadden geen andere optie dan geweld overwogen en in de toestand waarin Jonathan zich bevond, had dat alleen maar meer verzet veroorzaakt en was het te voorzien dat hij gewond zou raken.

Eén lid van het BBT, dat maar op het einde van de interventie erbij was gekomen, werd vrijgesproken. Wat de zeven anderen betreft, hield de rechtbank bij de strafbepaling rekening met het feit dat er geen standaardprocedure bestaat voor de omgang van personen met het geagiteerd deliriumsyndroom en dat het een relatief ongekend fenomeen is.