Privacycommissie steunt verbod op sociale netwerken voor leden inlichtingendiensten

THINKSTOCK
Leden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en het OCAD (Coördinatieorgaan voor de Dreigingsanalyse) moeten het verbod krijgen om, zelfs in hun privé, actief te zijn op sociale netwerken. Dat vragen de Comités I en P. De Privacycommissie vindt het verbod gerechtvaardigd, zo blijkt uit een advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De voorzitters van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Comité I) en van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten (Comité P) vroegen een advies aan de Privacycommissie, na berichten dat leden van de Belgische inlichtingendiensten hun professionele activiteiten openbaar maakten op Facebook of andere sociale netwerksites.

De Comités hadden in juli aan hun parlementaire begeleidingscommissie verslag uitgebracht over "de wijze waarop de inlichtingendiensten en het OCAD omgaan met de openbaarheid die sommige van hun personeelsleden op de sociale netwerken op het internet verlenen aan hun identiteit en hun professionele hoedanigheid". De parlementaire commissie was "zeer gevoelig voor de risico's verbonden aan de aanwezigheid van leden van de inlichtingendiensten en het OCAD op de sociale netwerken", aldus de Privacycommissie.

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer oordeelt in een advies van 13 november dat een verbod kan, ook buiten de werkuren. "Anderzijds zou het overmatig zijn hen iedere activiteit van strikt persoonlijke aard op sociale netwerken te verbieden indien zij zich houden aan de voormelde beperkingen", nuanceert de Privacycommissie wel. "De bepalingen die voorafgaan en de per definitie geheime aard van de functie van de leden van een inlichtingendienst of van het OCAD, beletten hen hun professionele hoedanigheid en hun beroepsactiviteiten te vermelden op sociale netwerken en vanzelfsprekend ook iedere informatie die gedekt is door het beroepsgeheim of hun algemene discretieplicht."

De betrokken diensten moeten een dergelijk verbod aan de ambtenaren wel laten opnemen "in een algemene tekst zoals een statuut, een reglement, richtlijnen of een deontologische code", aldus de Privacycommissie.