Lage rugpijn houdt vaak verband met spierproblemen

Lage rugpijn waarvoor geen specifieke oorzaak gevonden wordt, is in de meeste gevallen gerelateerd aan problemen met het spierweefsel. Dat blijkt uit een onderzoek van de Vrije Universiteit Brussel (VUB). Sinds de jaren tachtig is het aantal klachten van lage rugpijn erg gestegen in de westerse geïndustrialiseerde landen en in de meeste gevallen wordt er geen specifieke oorzaak voor gevonden.

Spierweefsel
Volgens het onderzoek van de faculteit Lichamelijke Opvoeding en Revalidatie Wetenschappen van de VUB gaat het in meer dan 70 procent van de gevallen om spierweefsel gerelateerde rugpijn. Voor het onderzoek werd bij een groep patiënten met lage rugpijn en bij een groep gezonde mensen de lokale spiergevoeligheid gemeten door er druk op uit te oefenen. Daaruit bleek dat de pijndrempelwaarden van de rug- en bilspieren duidelijk lager liggen bij patiënten met lage rugpijn dan bij gezonde patiënten.
Behandeling
Bij die specifieke spieren worden overigens vaak spierverhardingen vastgesteld. Het onderzoek reikt ook een behandeling aan. Door de patiënten met aspecifieke lage rugpijn te behandelen met roptrotherapie (diepe dwarse fricties met behulp van een bronzen T-knots) ter hoogte van de midden en lage rugspieren en de grote bilspieren zouden de pijndrempelwaarden van de spieren opnieuw op het niveau van gezonde personen kunnen worden gebracht.

Stijfheid
Aspecifieke lage rugpijn treft voornamelijk mannen en vrouwen tussen 35 en 55 jaar. De ziekte wordt gekenmerkt door stijfheid in de rug bij het opstaan 's morgens, pijn onderaan de rug in bepaalde houdingen, met eventuele uitstraling in de benen en een beperking van de beweeglijkheid in het dagelijkse leven. In 80 procent van de gevallen verdwijnt de rugpijn spontaan na twee tot drie weken. Ongeveer 5 procent blijft echter kampen met chronische lage rugpijn. (belga/gb)