"Incestueus stilzwijgen van Kerk bij seksueel misbruik is geen crimineel gedrag"

Patrick Degrieck, de enige priester-kerkjurist in de commissie-Adriaenssens, zegt dat de kerk met haar zogenoemd 'incestueuze stilzwijgen' niet van crimineel gedrag kan beschuldigd worden. Dat bericht het katholieke weekblad Kerk & Leven.

De commissie-Adriaenssens, die onderzoek deed naar seksueel misbruik in de kerk, stelde geen doofpotoperatie vast. "Wat we wél aantroffen, is het probleem van de incestproblematiek", zegt Degrieck. "Op een bepaald moment verneemt de moeder het misbruik. Ze wil dat niet meer gebeurt en beschermt haar kind, maar ze wil haar gezin ook niet opgeven. De moeder zit dus gevangen in haar moederrol. Kan je haar dan beschuldigen van crimineel gedrag? Van doofpot als een bewuste strategie? Neen. Ik ben van mening dat ze gevangen zit in haar moederrol waarvan achteraf blijkt dat dit geen gelukkige oplossing is. En ik meen dat de Kerk ook in die situatie verzeild is. Men verwijt de Kerk dat ze gezwegen heeft en men noemt dat zwijgen misdadig."
 
Moeders
Als priester vraagt Degrieck zich af wat er omgaat in de moeders die zich in zo'n incestsituatie bevinden en zwijgen. "Wat moet het voor dat moederhart niet betekenen wanneer zij haar situatie herkent in de media en in de samenleving die huilt en roept dat dit crimineel gedrag is? En hoe luisteren de andere geledingen van de samenleving die met gelijkaardige problemen kampen? Dit zijn vragen met maatschappelijk belang, me dunkt."

Voorgesprek
Degrieck had een specifieke taak in de commissie. "In een moeilijk dossier nodigde Peter Adriaenssens (de commissie-voorzitter, nvdr) mij uit om samen met hem een voorgesprek te voeren met een priester die zeer zenuwachtig was om voor de commissie te verschijnen. Het bleek goed te zijn dat ik vooraf als confrater sprak met priesters en hen duidelijk maakte dat we er allemaal baat bij hadden dat de waarheid bekend werd. Meer dan eens betekenden die voorgesprekken kantelmomenten."

Publicatie
Verder zegt Degrieck dat de publicatie van het eindrapport voltrokken werd in eer en geweten en in nauw overleg met de slachtoffers. Nadat het gerecht de dossiers van slachtoffers in beslag nam, belden die laatsten hun ontgoocheling door. Ze hadden hun gegevens in vertrouwen met de commissie gedeeld en nu was alles weg. "Een aantal mensen verwoordde daarbij duidelijk de behoefte om hun verhaal openbaar te maken", weet Degrieck. "De commissie heeft dan geoordeeld dat het beter was dat zij zelf een en ander stroomlijnde."

Communicatie
Via de beschikbare contactgegevens contacteerde de commissie de slachtoffers en legde hen de vraag voor. "Op die manier gaven wij iedereen de kans om zijn of haar verhaal te communiceren naar de samenleving toe." De commissie zou de communicatie verzorgen via een eindrapport, maar men zou alle verhalen wel anonimiseren, om redenen van privacy. Honderdtwintig mensen stemden in met de opname van hun verhaal in het rapport. "Het is in elk geval zo dat de publicatie voor een aantal mensen therapeutisch werkt", aldus Degrieck. "Veel slachtoffers vroegen immers niet om geld en ook niet om therapie omdat ze al vele jaren begeleid worden. Ze vonden het daarentegen heel belangrijk dat ze hun verhaal mochten doen en dat de Kerk naar dat verhaal wilde luisteren en er respect voor opbrengt. Ja, die grote vraag naar erkenning en naar eerbied voor de kwetsuren overheerste. Dat de Kerk adem en lucht gaf aan dat lijden, werkte helend." (belga/lpb)