Geens wil geen herhaling van de repressie voor Syriëstrijders

BELGA
Minister van Justitie Koen Geens is zich beducht voor een herhaling van de uitwassen van de naoorlogse repressie bij de bestraffing van Belgische Syriëstrijders, wanneer die zouden terugkeren na de val van terreurgroep IS. Dat zei hij in een gesprek met Belga aan de vooravond van 22 maart.

"We moeten degenen die misdaan hebben streng straffen, maar we moeten ook niet straffen zoals we na Wereldoorlog II gedaan hebben", aldus Geens. "Want dat heeft onze samenleving - nog altijd - wonden opgelegd. Dus het moet allemaal op de juiste manier gebeuren."

De verwijzing van Geens naar de collaboratie was niet toevallig gekozen. Zonder de impact en het leed van de slachtoffers te willen minimaliseren, benadrukte hij meermaals het belang om alles "in perspectief te zien". "Op 22 maart zijn we eigenlijk onze onschuld verloren in deze terreurgolf", aldus de minister. Maar "het zou gevaarlijk zijn om te denken dat er slechts dit is en dat dit het ergste is wat we ooit hebben meegemaakt."

De CD&V'er verwees daarbij naar de vergelijking die historicus Bruno De Wever - broer van - eerder al maakte. Zo telde België in de Tweede Wereldoorlog 18.000 oostfrontstrijders, Nederland 25.000. Terwijl op dit moment voor heel Europa sprake is van 5.000 Syriëstrijders.

"Ik wil die mensen niet vergelijken, het was Bruno De Wever die zei dat het om vrij vergelijkbare dingen ging", aldus de justitieminister. "Maar als je naar de aantallen kijkt - en dan zei hij erbij: 'naar de gruwelijkheid van die Tweede Wereldoorlog' - dan zie je dat we ook niet mogen overdrijven."

Huiswerk gemaakt
Geens noemt het "evident" dat de terugkeer van de 'foreign terrorist fighters' niet probleemloos zal verlopen. "Het zal niet altijd makkelijk zijn om hun terugkeer te detecteren. Maar de Belgische inlichtingen- en veiligheidsdiensten hebben heel behoorlijk hun huiswerk gemaakt", zo maakt hij zich sterk.

"Persoonlijk denk ik dat we niet weten wat er nog op ons kan afkomen", merkte Geens op. "Maar naarmate je er beter in slaagt je te organiseren tegen het door IS rechtstreeks aangestuurde terrorisme, moet je vaststellen dat je bijna machteloos bent tegen de individuele razernij van mensen die beginnen schieten, zoals in Istanboel, Berlijn en Nice."


Deradicalisering

Deradicalisering wordt ongetwijfeld nog een proces van jaren. De getuigenissen in de onderzoekscommissie van actoren op het terrein - gevangenisdirecteurs met speciale deradicaliseringsvleugels binnen hun muren, islamconsulenten, deradicaliseringsambtenaren, academici, ... - waren ontluisterend. Niemand weet voorlopig echt hoe deradicalisering concreet moet worden aangepakt.

Wat Geens ervan denkt? Hij wanhoopt niet. Enerzijds heeft hij al langer ingezet op het opleiden van het gevangenispersoneel om radicalisering te detecteren, maar anderzijds zat hij rond het probleem in de gevangenissen ook al meermaals samen met experts zoals Khalid en Mohammed Benhaddou en islamconsulent Saïd Aberkan.

"Zij hebben me toch wel de hoop gegeven dat het kan", aldus de minister. "Dat men door een systematisch gespreksproces met geradicaliseerde mensen de verkeerde opvattingen die aan de grond liggen van gewelddadig radicalisme, kan weerleggen. Zeer dikwijls berust dat op een verkeerde lezing van de koran en een selectieve kennis van bepaalde auteurs en verzen."

Voor Geens is vooral 'disengagement' van belang, het afzweren van gewelddadig radicalisme. "Want het is toch vooral een kwestie van de mensen van het geweld af te houden, eerder dan van de radicale leer. Iemand met radicale ideeën wordt niet per se gewelddadig."

Fundamentele vrijheden
In de directe nasleep van de aanslagen deed Geens erg zijn best om een verbindende toon aan te slaan. "Het gevaar van de aanslagen en de absolute gruwelijkheid ervan kan er natuurlijk toe leiden dat we in onze reactie een bepaalde bevolkingsgroep heel sterk gaan stigmatiseren, ook door bepaalde maatregelen", beseft hij nog steeds. Maar één jaar later heeft de CD&V'er het gevoel dat het behoud van "de cohesie in de samenleving onder de omstandigheden die de onze waren nog zo goed mogelijk gelukt is".

Geens is bovendien "enorm fier" dat er ondanks het opbod aan reacties geen fundamentele rechten en vrijheden overboord gegaan zijn. "Op vlak van mensenrechten ben ik enorm fier op wat we hebben kunnen doen. We zijn in dit kleine, mooie land toch heel veraf van een soort Guantanamo of ik weet niet wat nog allemaal."

"We hebben veel meer dan het essentiële weten te redden, denk ik. In vergelijking met de ons omringende landen, is dat een heel mooie verwezenlijking", aldus de christendemocraat.

Geens erkent dat op bepaalde momenten - zeker vorige zomer - sprake was van een "sfeer van repressiviteit". Die werd echter aangewakkerd door tal van ballonnetjes, zoals over noodtoestanden of de inperking van de vrijheid van meningsuiting. "Dat geeft een sfeer van repressiviteit die in de feiten niet bestaat", benadrukt hij. "Ik denk oprecht dat, als het niet zo zou zijn, dat bepaalde Franstalige magistraten en advocaten nog veel bozer geweest zouden zijn op hun arme minister van Justitie dan ze nu zijn. Het is niet dat ze bang zijn om zich uit te drukken."