Fedasil: "Radicalisering in asielcentra is een marginaal fenomeen"

Fanny François, Jean-Pierre Luxen en Jean-Frnçois Jacob.
belga Fanny François, Jean-Pierre Luxen en Jean-Frnçois Jacob.
Radicalisering in de asielcentra is een marginaal fenomeen. Sinds maart vorig jaar zijn bij 66 mensen mogelijke signalen opgemerkt, op een gemiddelde bezetting van 22.500 mensen. "Een marginaal iets dus", zei directeur Beleidsondersteuning Fanny François van Fedasil in de onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart.

In het licht van de aanhoudende terreurdreiging werd het personeel in de open opvangcentra opgeleid om tekenen van radicalisering te herkennen. Maar ook niet meer dan dat, beklemtoonde Fedasil-topman Jean-Pierre Luxen vandaag. "Nadien is het aan de gespecialiseerde diensten. Wij hebben niet de pretentie om te zeggen dat onze sociaal werkers of bewakers met zekerheid kunnen zeggen dat iemand geradicaliseerd is."

De 66 meldingen dienen dus nog bijkomend genuanceerd te worden. Want het gaat slechts om meldingen van mogelijke radicalisering. In "een paar" gevallen bleek er effectief iets aan de hand, aldus François, die geen zicht heeft op het precieze cijfer. Soms krijgt Fedasil wel feedback en worden bepaalde acties ondernomen, zoals bijvoorbeeld een overplaatsing.

Gesloten centrum in Vottem
De onderzoekscommissie hoorde vandaag ook Jean-François Jacob, directeur van het gesloten centrum van de Dienst Vreemdelingenzaken in Vottem. Daar komen geradicaliseerden terecht op een speciale gang waar geen gemeenschappelijk regime maar een kamerregime geldt. Inzetten op deradicalisering gebeurt er niet, slechts zorgen voor een zo humaan mogelijke opvang, aldus Jacob. Doel van de gesloten centra van DVZ blijft immers de repatriëring.

Specifiek rond radicalisering was vorig jaar sprake van 34 dossiers, gaf Jacob nog aan. In veertien gevallen brachten de Staatsveiligheid of het OCAD de gesloten opvangcentra op de hoogte, in de andere gevallen waren het de centra die een kwestie signaleerden bij de inlichtingendiensten. In 2015 ging het om 21 dossiers, waarbij de informatie in zestien gevallen vanuit de centra vertrok. En voor dit jaar staat de teller voorlopig op zes, met drie signaleringen in elke richting.