Aanvullend pensioen: wat houdt u over?

thinkstock
Iedereen heeft recht op een door de overheid uitgekeerd wettelijk voorzien pensioen, de zogeheten 'eerste pijler'. Voor de meeste mensen volstaat deze pensioenuitkering echter absoluut niet om de verworven levensstandaard van voor de pensionering te kunnen handhaven. Ieders situatie verschilt, maar we vonden enkele voorbeelden bij AXA op http://pensioenavonturen.be/portretten die heel wat herkenbaarheid bevatten en tot nadenken aansporen.

Gelukkig is er de mogelijkheid om een aanvullend pensioen op te bouwen. Dat kan door de werkgever (tweede pijler) georganiseerd worden voor zijn medewerker en/of door elk individu (derde pijler).

De werkgever kan bijdragen tot een aanvullend pensioen als één van de mogelijke extralegale voordelen die aan de werknemer worden toegekend. Hiervoor sluit de werkgever een groepsverzekering af of schrijft in op een pensioenfonds. Principieel zijn de rechten gemakkelijk overdraagbaar indien van werkgever wordt gewisseld. Bij een pensioenplan bestaat eventueel ook de mogelijkheid dat de werknemer bijkomend een eigen bijdrage inbrengt.

In sommige gevallen is er ook sprake van een ondernemingspensioen dat aan bepaalde categorieën van werknemers wordt aangeboden (bv. kaderleden).

Het bijeen gespaarde aanvullende pensioen is principieel slechts opvraagbaar op het ogenblik dat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt, of ten vroegste op de 60e verjaardag van de begunstigde. Uitzondering is het overlijden van de persoon voor wie het aanvullende pensioen werd gespaard.

Veelal is er keuze tussen een eenmalige uitkering of het uitbetalen van een maandelijkse uitkering tot aan het overlijden.

Afhankelijk van de polisvoorwaarden van het pensioenfonds of de groepsverzekering is het mogelijk om voorschotten op te vragen voor de aankoop, bouw of renovatie van een in de Europese Unie gelegen onroerend goed.

Helaas is ook het aanvullend pensioen onderworpen aan belastingen...

Aanvullend pensioen afgeroomd
De opbouw van een aanvullend pensioen is verbonden aan een aantal fiscale gunstmaatregelen, maar op het einde van de rit, bij de uitbetaling van het gespaarde, slaat de fiscus zijn slag!

Al voor het aanvullend pensioen wordt uitbetaald, graait de fiscus in de pot: de 55e verjaardag van de spaarder gaat gepaard met 8% belasting, de zogenaamde anticipatieve heffing. Elk daaropvolgend jaar wordt telkens 1% afgeroomd. Indien de uitbetaling aangevraagd wordt op 60 jaar, dan wordt dit op de personenbelasting bestraft met 20%. Wie wacht tot zijn 65e of later om de uitbetaling aan te vragen, wordt met 16,5% belast of 10% indien de persoon de laatste drie voorgaande jaren volledig effectief actief is geweest.  

Naast de eigenlijke belasting worden op het aanvullend pensioen van werknemers ook nog bijdragen voor de sociale zekerheid ingehouden (3,55%) en een solidariteitsbijdrage die varieert van 0 tot 2%, afhankelijk van de grootte van het aanvullend pensioen.

De regelgeving op het aanvullende pensioen is complex en weinig transparant. Bovendien werd ze voor de uitkeringsgerechtigde ongunstig bijgesteld onder de regering Di Rupo. Het is dan ook aangeraden om de organisatie te contacteren bij wie men verzekerd is om precies te weten te komen wat men zal overhouden op het einde van de rit.