"Ik wou altijd de soldaat achter het graf kennen"

Welkom in West-Vlaanderen

Piet Chielens: begonnen als bankdirecteur, maar nu al twee decennia conservator van het IFFM.
Foto Flamand Piet Chielens: begonnen als bankdirecteur, maar nu al twee decennia conservator van het IFFM.
1 april 1998: onder leiding van voormalig bankdirecteur Piet Chielens zwaaien de deuren van het In Flanders Fields Museum (IFFM) open. Tot dan een klein en stoffig oorlogsmuseumpje, sindsdien gegroeid tot een leidinggevende speler in het herdenkingsgebeuren rond de Eerste Wereldoorlog. Nu het laatste officiële herdenkingsjaar ingezet is, rijst de vraag welke toekomst het museum heeft. "Maar vijf generaties later hebben veel mensen nog altijd een heel goede reden om naar hier te komen."

Piet Chielens staat al sinds 1996 als conservator aan het roer van het IFFM - dat die naam pas twee jaar later zou krijgen. Zijn visie heeft dus mee bepaald hoe de 'remembrance' beleefd kan worden. Vorig jaar klokte het museum af op ruim 221.000 bezoekers, wat van het IFFM één van de drukst bezochte musea in Vlaanderen maakt.

Vanaf volgend jaar zal het aantal herdenkingsplechtigheden sterk afnemen en dreigt de massa oorlogstoeristen in Ieper drastisch te slinken. Hoe moet het dan verder?

"We zijn ons ervan bewust dat de aandacht van de media en de politiek zal afnemen, en de impact van de Brexit kunnen we moeilijk inschatten. Maar daar zullen we op proberen te anticiperen en ons ten volle blijven inzetten om het verhaal te brengen van die grote wereldbrand. Persoonlijk zou het mij heel sterk verbazen mochten de bezoekerscijfers met tien à vijftien procent achteruitgaan, louter omdat de eeuwherdenking voorbij is. Je mag niet vergeten dat de herdenkingen bij veel individuen de interesse voor de Eerste Wereldoorlog aangewakkerd hebben. Daar zitten mensen tussen die geen boek over WOI meer zullen vastnemen, maar er zijn ook velen bij wie de belangstelling niet zal afnemen. Eén op vijf bezoekers heeft trouwens een familieband met slachtoffers uit die vreselijke periode. We zijn al vijf generaties verder, maar veel mensen hebben nog steeds een heel goede reden om naar hier te komen."

Hoe ben je er eigenlijk zelf bij gekomen om je op WOI te richten? Je bent immers dertig jaar lang bankdirecteur geweest?

"Mijn jeugd werd gekleurd door mensen die de Eerste Wereldoorlog meegemaakt hebben. Ook de landschappen en begraafplaatsen waar ik in Reningelst tussen opgegroeid ben, hebben een diepe impact gehad. Al van in de lagere school was ik heel nieuwsgierig naar de persoonlijke verhalen van de soldaten die hier begraven lagen. Wanneer ik bijvoorbeeld langs het graf liep van een Canadese soldaat, dan wou ik weten waar die precies vandaan kwam. Dat kon je toen niet snel even aan Siri vragen. Je moest het opzoeken in geschiedenisboeken en atlassen. Zo'n begraafplaats biedt een heel bijzonder venster op de wereld. Later heb ik heel wat tijd gespendeerd in het toenmalige documentatiecentrum van het oorlogsmuseum, en van het één kwam het ander. Toen de plannen voor het In Flanders Fields Museum op tafel gelegd werden, kreeg ik de kans om mijn bankkantoor in te ruilen voor het museum. Een kans die ik uiteraard met beide handen gegrepen heb."

Je partner is historica en buigt zich eveneens over WOI. Wordt er aan de ontbijttafel ook over iets anders gepraat?

"Ja hoor. (lacht) Aangezien mijn dochter zich gespecialiseerd heeft in hedendaagse kunst en mijn zoon aan de slag is in een bedrijf dat tentoonstellingen uitwerkt, zijn gesprekken over cultuur en geschiedenis bij ons thuis logischerwijs onvermijdelijk. Maar dat vinden we best."

Welke richting zal

het museum uitgaan na 2018?

"We blijven dezelfde koers aanhouden. Door te focussen op de persoonlijke verhalen van de mensen die hier honderd jaar geleden waren, belichten we de oorlog vanuit alle invalshoeken. Zo telde Ieper 1.733 slachtoffers, onder wie meer dan 1.100 burgers voor wie nooit een standbeeld opgericht werd. Dit najaar maken we met een volgende tentoonstelling de balans op. We zoomen onder meer in op een familie die onder de bezetting verdeeld is geraakt. De nakomelingen van de familieleden die vier jaar aan de geallieerde zijde van het front doorgebracht hebben, wonen momenteel in Frankrijk. De anderen, die onder de bezetter moesten overleven, zijn hier gebleven. De sporen van de Eerste Wereldoorlog zijn nog lang niet uitgewist. Denk maar aan de opdeling van het Midden-Oosten na 14-18, waardoor tot op vandaag conflicten blijven opflakkeren. Daar wordt in het onderwijs veel te weinig tijd aan gespendeerd. Er is een pedagogische taak voor ons weggelegd en wij hebben de ambitie om die zo goed mogelijk te vervullen."

Je hebt zopas 62 kaarsjes mogen uitblazen. Ben je van plan om effectief ooit met

pensioen te gaan?

"Ik zou me zeker nog drie jaar willen inzetten voor het museum, maar ik heb ook al heel wat plannen om de jaren die nog komen in te vullen! Nu schrijf ik telkens in functie van de volgende tentoonstelling, maar dan zal ik mij gaan toeleggen op een ander onderwerp: de Europese geschiedenis van de voorbije twee eeuwen. Dat zal tegelijk het ideale excuus vormen om veel te gaan reizen. Neen, stoppen staat niet in mijn woordenboek. (lacht)"