Glas op het wegdek? Geen gevaar, Snoeckstraat kreeg vluchtheuvels met stukjes spiegelglas die reflecteren

In het bitumen wegdek werden stukjes spiegelglas pletgewalst. Die reflecteren zowel het zonlicht overdag als de straatverlichting 's avonds.
Kristof Pieters In het bitumen wegdek werden stukjes spiegelglas pletgewalst. Die reflecteren zowel het zonlicht overdag als de straatverlichting 's avonds.
In de Snoeckstraat in Melsele is wat ongerustheid ontstaan over de stukjes glas die er liggen te glinsteren in het pas gegoten wegdek. De gemeente Beveren stelt de bewoners gerust. Het gaat om een innovatieve toepassing om vluchtheuvels beter te accentueren. In het asfalt werden stukjes spiegelglas pletgewalst. Die reflecteren het zonlicht en bij duisternis ook de straatverlichting en de lichten van de voertuigen.

De toepassing van pletgewalste stukjes glas in asfalt is in ons land nog niet echt ingeburgerd maar in buurlanden zoals Frankrijk wordt het vaak gebruikt als goedkoop alternatief om een stuk wegdek te accentueren. “Het is veel goedkoper dan ledlichtjes aanbrengen in het wegdek”, zegt schepen van Openbare Werken Raf Van Roeyen (CD&V). “Die lichtjes kosten niet alleen veel om te plaatsen maar ook in onderhoud. Bij deze toepassing wordt gewoon spiegelgranulaat over het pas gegoten asfalt gestrooid en vervolgens pletgewalst. Ik denk dat het voor deze regio een primeur is en in onze gemeente zal het zeker navolging krijgen want de resultaten zijn bijzonder goed voor een kleine meerprijs.”

Lekke fietsbanden

Er kwamen wel enkele klachten binnen over lekke fietsbanden maar dat is volgens de schepen het gevolg van een restfractie die na de aanleg was achtergebleven. “De onderaannemer had blijkbaar nog geen ervaring met deze toepassing. Mensen kunnen echter gerust zijn. De pletgewalste stukjes glas veroorzaken zeker geen lekke banden op de rijbaan. Bij de aanleg was er echter een kleine fractie naast de weg beland. Onze veegwagens zijn er intussen al een paar keer gepasseerd en de problemen zijn volledig opgelost.”

Kristof Pieters