AXL

Column | Afscheid

Klaas De Scheirder

'All things must pass', zong George Harrison ooit.


De man had gelijk.


In 1977 leer ik van Meneer Goossens de zinnetjes: 'een man met een aap', 'de geit staat in de wei' en 'het schip is op zee' lezen en schrijven. Het is het prille begin van een hardnekkige verslaving. Veertig jaar later kan ik me moeilijk een leven zonder kranten en boeken voorstellen.


Ik lees, dus ik ben.


'Of ik een wekelijkse column wil schrijven voor Het Laatste Nieuws en De Nieuwe Gazet?', vraag ik verbaasd.


De hoofdredacteur knikt.


'Yep. Ik zoek voor de weekendeditie nog een persoonlijke kijk op de actualiteit', antwoordt hij.


Een paar dagen voor de kerst van 2014 zit ik samen met Dimitri Antonissen te lunchen in de Pazzo in de Brouwersvliet.


'Euh ... en wat houdt dat concreet in?', doddel ik.


'Carte blanche!'


Hij pauzeert even.


'Alles mag, alles kan. Geen regels. Go with the flow', klinkt het.


'Deal!', zeg ik enthousiast.


Een half uur later stap ik in mijn auto, draai de achteruitkijkspiegel en zeg tegen mijn spiegelbeeld: 'Cool! Ik schrijf, dus ik ben.'


Drie jaar en honderdzestig columns verder zit ik achter mijn bureau te staren naar een wit scherm. Mijn vingers zweven boven het toetsenbord. Dat doen ze al bijna een uur. Mijn vrouw is in de living examens aan het verbeteren.


'Schat?', fluistert ze.


'Hmm...', brom ik.


'Elk verhaal heeft een begin en een einde. Er komt een moment dat alles wat geschreven moest worden, effectief ook geschreven is. Misschien is er een nieuw verhaal dat geschreven wil worden.'


Ik kijk naar mijn scherm.


'Shit, ze heeft alweer gelijk!', denk ik. 'Het is tijd om afscheid te nemen van mijn wekelijkse columns.'


Ik ben mijn eega, Ron Reuman, de voltallige redactie, alle lezers en in het bijzonder Christiane Borremans zeer dankbaar voor de voorbije jaren. Zonder jullie inspiratie, hulp en opbouwende kritiek was het schrijven van die stukjes een pak moeilijker geweest.


Het was een fijne rit, jongens. Merci!


'All things must pass', zong George Harrison ooit.


De man had gelijk.