Te weinig geld: een op de vier kan zich geen week vakantie veroorloven

Thinkstock
Een kwart van de Belgen kan zich geen week vakantie veroorloven. Dat blijkt uit een enquête georganiseerd door de FOD Economie. Zes procent had het vorig jaar zelfs zo moeilijk dat het nauwelijks goederen of diensten kon veroorloven die essentieel worden geacht om fatsoenlijk te kunnen leven in Europa, zoals een televisie of wasmachine aanschaffen.

Het is best een opvallend cijfer: zes procent van de Belgische bevolking heeft het moeilijk de eindjes aan elkaar te knopen wanneer het aankomt op 'een degelijke levensstandaard'. Dat blijkt uit de EU-SILC-enquête die elk jaar de situatie beschrijft van personen die zich geen goederen of diensten kunnen veroorloven die essentieel worden geacht om fatsoenlijk te kunnen leven in Europa. Zoiets wordt 'materiële deprivatie' genoemd.

Mensen met een 'ernstige materiële deprivatie' missen minstens vier van de negen volgende elementen en zijn niet in staat om: huur of courante rekeningen te betalen, hun woning degelijk te verwarmen, onverwachte uitgaven te doen, om de twee dagen vlees, vis of een proteïnerijk alternatief te eten, een week vakantie per jaar te nemen buitenshuis, zich een eigen wagen, wasmachine, kleurentelevisie of telefoon aan te schaffen. 

De aankoop van een televisie (onmogelijk voor 0,7 procent van de bevolking) of telefoon (0,1 procent) vormt amper een probleem, maar een onverwachte uitgave doen (van 1.100 euro) is een groot knelpunt voor liefst 26 procent van de bevolking. Ook meer dan een kwart van de bevolking (26 procent) kan om financiële redenen niet jaarlijks één week op vakantie gaan.

Geen hobby's
Meer dan één op de tien ontzegt zichzelf ook hobby's of sociale contacten om financiële redenen, zo blijkt ook uit de bevraging bij de meer dan 6.000 Belgische gezinnen.

Een op de vijf Belgen (22 procent) leeft in een gezin dat verklaart moeite te hebben om de eindjes aan elkaar te knopen, rekening houdend met de inkomsten. Sinds het begin van de crisis in 2008 is de subjectieve armoede nooit meer onder de grens van 20 procent gedaald, zo blijkt.