WUYTS

COLUMN | Froome, Thomas en hun dreun

Mijn vader wordt emotioneel als hij over dat ene WK vertelt. Over die bergrit in het weelderige Lugano. Waar de fiere reiger Coppi het kleinere gevogelte overvleugelde. Vader had toen in 1953 de ontknoping niet gezien. Hij hoorde het verslag op de radio, las het in de krant. Wat aangedikt, maar betoverend schoon. "Coppi reed zes minuten weg, zoon. De Crespera was een echte col. Zo zwaar als toen maken ze omlopen niet meer." Ik herinner hem aan Montréal '74. Vierduizend hoogtemeters, in zwoele zomerhitte. Merckx trapte er Poulidor en Martinez aan gruzelementen. "Hoe machtig was dat, vader?" Hij beaamt schoorvoetend. Ik merk wel dat hij de prestaties in zijn tijd straffer vindt. Ik gooi er de vernietigende solo van Hinault in Sallanches '80 bovenop en zeg hem hoe Baronchelli op de Côte de Domancy zieltogend uit het wiel moest. In het zoutzure zweet van de ondergang. "Ach, alleen wereldkampioenschappen voor klimmers blijven in het geheugen verankerd. Ze baren de grootste kampioenen." Vader is 88. Hij bewandelde altijd de weg van de diplomatie. Ik knik en leg ter bevestiging de hand op zijn arm. Het stelt hem gerust. Mij niet. Ik graaf diep en merk dat voor klimkampioenschappen de tijd al naar '95 en '96 moet. Colombia en andermaal Lugano. Olano en Museeuw. Opzwepende wedstrijden, dat zeker. Maar wel met maakbare klimmers. Mede daardoor schaduwridders naast de genoemde grootheden.



Alle artikels uit de krant