Russische soldaten houden de wacht bij een controlepost.
De kortstondige oorlog tussen Rusland en Georgië heeft vorige maand aan minder dan honderd burgers het leven gekost. Dat is de conclusie van een Russische onderzoekster van mensenrechtenorganisatie Human Rights na bezoeken aan het conflictgebied. Rusland en Zuid-Ossetië hadden het eerder over 1.500burgerslachtoffers.
Tatiana Loksjina van HRW zei niet te snappen waar het dodental van 1.500 vandaan komt. Ze bezocht onder andere een ziekenhuis en een begraafplaats in Zuid-Ossetië, de afvallige provincie waarheen Georgië een offensief lanceerde om de regio weer onder centraal bestuur te krijgen. Russische troepen die de Zuid-Osseten te hulp schoten, stootten vervolgens tot diep in Georgië door.
Genocide
Russische en Zuid-Ossetische bronnen zeggen dat Georgische troepen zich in de afvallige provincie schuldig hebben gemaakt aan marteling en zelfs genocide. Loksjina zei dat zij en andere onderzoekers daarvoor geen aanwijzingen hebben gevonden. Wel hebben volgens haar Georgische tanks moedwillig geschoten op kelders van flats waar burgers schuilden voor het geweld.
Rusland is een onderzoek begonnen naar burgerdoden in Zuid-Ossetië en onthoudt zich van commentaar tot dit is afgerond.
Georgië zegt dat onder zijn politiekorps en leger 169 doden zijn gevallen en dat daarnaast 69 burgerslachtoffers zijn geteld. Het Russische leger meldde de dood van 74 van zijn soldaten.
Doden en gewonden
Aleksander Tsjerkasov van de Russische rechtenorganisatie Memorial zei dat bij conflictsituaties in de geschiedenis telkens is gebleken dat het aantal doden nooit hoger is dan het aantal gewonden. Hij zei dat het belangrijkste ziekenhuis van Zuid-Ossetië 273 gewonden heeft geteld.
Tsjerkasov zei verder dat toen het offensief in Zuid-Ossetië was afgeslagen, etnische Georgiërs door Zuid-Osseten werden opgesloten, geslagen en gedwongen werden puin te ruimen. Beide onderzoekers zeiden dat er in Georgische nederzettingen in Zuid-Ossetië nog steeds geplunderd wordt. Zij sporen de Russische autoriteiten aan deze dorpen te doorzoeken of er niet nog burgers zijn achtergebleven. Volgens Tsjerkasov kregen de Georgiërs in Zuid-Ossetië daags voordat de beschietingen begonnen te horen dat ze het gebied moesten verlaten. (novum/sam)


