Er moet nog meer gedaan worden om oudere werknemers aan het werk te houden. Dat blijkt uit het gepubliceerde jaarverslag van de Hoge Raad voor Werkgelegenheid (HRW). De Raad suggereert onder meer om het systeem van de baremaverhogingen van de lonen te herbekijken.
De werkgelegenheidsgraad van 55- tot 64-jarigen lag vorig jaar in België op 38,7 procent, een van de laagste percentages in Europa. Bijna 60 procent van de 60- tot 64-jarigen had in 2011 de arbeidsmarkt verlaten via een van de stelsels van vervroegde uittreding.
"Een toename van de werkgelegenheidsgraad van de 55- tot 64-jarigen is duidelijk onvermijdelijk", schrijft de HRW in zijn rapport. Er werden al verschillende maatregelen genomen om mensen langer aan het werk te houden. Zo werden de voorwaarden voor het brugpensioen (nu 'stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag') strenger gemaakt en wordt wie langer werkt dan 62 beloond met een pensioenbonus.
De huidige hervormingen bieden echter maar een gedeeltelijke oplossing, stelt de HRW. Om de reeds gezette stappen te ondersteunen en te versterken, "moeten blijvend gunstigere voorwaarden worden gecreëerd om productieve arbeidsplaatsen te scheppen en om oudere werknemers langer aan het werk te houden en in dienst te nemen", luidt het.
De HRW hint onder meer op een aanpassing van de loonspanning, het verschil tussen het loon aan het begin van de carrière en dat aan het einde. "De loonvorming zou de vaardigheden en de ervaring beter moeten reflecteren, ongeacht de leeftijd van de werknemers. De onderhandeling over een toenadering tussen het arbeiders- en bediendenstatuut schept een kader waarin, onder andere, het systeem van de baremaverhogingen kan worden herbekeken", luidt het in het verslag. Het brutoloon van een arbeider stijgt momenteel veel minder sterk in de loop van de carrière dan dat van een bediende.
Het idee om de loonspanning aan te pakken, komt de laatste tijd wel vaker aan de oppervlakte. Werkgeversorganisatie Voka uitte zich vorige maand al als voorstander, en ook minister van Pensioenen Vincent Van Quickenborne vindt dat over het idee moet worden nagedacht.



Bewerkt door: