EU: "Feryn discrimineert bij aanwerving"
HLN update
Wanneer een werkgever in het kader van een aanwervingsprocedure publiekelijk verklaart dat sollicitaties van personen van een bepaalde etnische afstemming afgewezen zullen worden, is er volgens het Europese recht sprake van directe discriminatie. Zo luidt de conclusie van de advocaat-generaal van het Europese Hof van Justitie in Luxemburg vandaag in de zaak-Feryn.
Op vraag van het Arbeidshof in Brussel boog advocaat-generaal Miguel Poiares Maduro zich over de zaak die het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding had aangespannen tegen de firma Feryn. Een van de zaakvoerders van dit bedrijf, gespecialiseerd in kantel- en sectionale poorten, had drie jaar geleden in de media te kennen gegeven dat hij geen Marokkanen zou aanwerven omdat zijn klanten dit niet willen.
"Hoogstens potentiële discriminatie"In eerste aanleg had de Brusselse Arbeidsrechtbank geoordeeld dat er hoogstens sprake kon zijn van potentiële discriminatie, omdat niet is bewezen dat Feryn ook daadwerkelijk heeft gehandeld naar zijn eigen discriminerende verklaringen. In Luxemburg voerden Ierland en het Verenigd Koninkrijk bovendien aan dat de Europese richtlijn uit 2000 over de gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming niet van toepassing kan zijn wanneer er geen identificeerbare klager is, die het slachtoffer werd van discriminatie.
De advocaat-generaal haalt die stellingen onderuit. "Bij elke aanwervingsprocedure vindt de grootste selectie plaats tussen degenen die solliciteren en degenen die dat niet doen. Van niemand kan redelijkerwijze worden verwacht dat hij voor een betrekking zal solliciteren, indien hij op voorhand weet dat hij wegens zijn ras of etnische afstamming geen enkele kans maakt. Daarom is het effect van een publieke verklaring (...) allesbehalve hypothetisch", stelt de advocaat-generaal.
IrrelevantDe advocaat-generaal vervolgt met de stelling dat een verwijzing naar de wensen van de klanten "volkomen irrelevant" is voor de vraag of de richtlijn van toepassing is. "Gesteld dat die bewering juist is, illustreert zij enkel dat 'markten discriminatie niet met succes zullen bestrijden' en dat regulerend optreden noodzakelijk is".
Op vraag van het Arbeidshof laat de advocaat-generaal ook zijn licht schijnen over de bewijslast. Volgens hem staat het aan de verweerder te bewijzen dat het beginsel van gelijke behandeling niet werd geschonden. Inzake het vraagstuk van passende maatregelen stelt de advocaat-generaal tenslotte dat de nationale rechter, "indien hij vaststelt dat het beginsel van gelijke behandeling is geschonden, maatregelen dient te treffen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn".
De conclusies van de advocaat-generaal vormen een juridisch advies aan het Hof, dat later een bindend arrest zal vellen. Het is uiteindelijk aan het Arbeidshof om deze concrete zaak te beslechten. (belga/sps)